ECLI:NL:RBDHA:2025:23982

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL24.6352
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Richtlijn Tijdelijke Bescherming en terugkeerbesluit in bestuursrechtelijke procedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een terugkeerbesluit dat aan eiseres is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, een Indiase vrouw die sinds 28 juli 2022 in Nederland verblijft op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), heeft op 19 februari 2024 beroep ingesteld tegen een besluit van 7 februari 2024, waarin werd vastgesteld dat zij per 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer had. Dit besluit werd vergezeld van een terugkeerbesluit. De voorzieningenrechter heeft op 1 maart 2024 een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor het terugkeerbesluit werd geschorst tot er een uitspraak in de hoofdzaak was gedaan.

Op 7 augustus 2025 heeft de minister het eerdere terugkeerbesluit vervangen door een nieuw besluit. Eiseres heeft hiertegen opnieuw beroep ingesteld, waarbij zij aanvullende gronden heeft ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het terugkeerbesluit op goede gronden is genomen, omdat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres, waaronder het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de schending van de hoorplicht, verworpen. De rechtbank concludeert dat er geen belangen zijn die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6352

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.S.M. Oudijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Inleiding

1. Aan eiseres is facultatieve tijdelijke bescherming verleend onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). [1] Bij besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en daarbij een terugkeerbesluit opgelegd aan eiseres.
1.1.
Eiseres heeft op 19 februari 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL24.6354.
1.2.
Op 1 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om de voorlopige voorziening toegewezen, ertoe strekkende dat het terugkeerbesluit wordt geschorst en eiseres niet mag worden uitgezet tot op het beroep is beslist.
1.3.
Op 7 augustus 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit. [2]
1.4.
Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1986 en heeft de Indiase nationaliteit. Sinds 28 juli 2022 verblijft eiseres in Nederland op grond van de RTB. Aan haar is de facultatieve tijdelijke bescherming verleend omdat zij op 23 februari 2022 in Oekraïne verbleef met een tijdelijke verblijfsvergunning.
3. Op 7 februari 2024 heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd aan eiseres. Eiseres heeft hier beroep tegen ingesteld. Op 7 augustus 2025 heeft verweerder dit besluit vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Redengevend hiervoor is dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 prematuur werd genomen omdat eiseres nog rechtmatig verblijf had op grond van de facultatieve tijdelijke bescherming.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres voert in beroep – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder had volgens haar geen terugkeerbesluit mogen opleggen, omdat zij nog rechtmatig verblijf heeft. Eiseres valt namelijk onder de bevriezingsmaatregel. Daarnaast heeft eiseres procedureel rechtmatig verblijf op grond van de toegewezen voorlopige voorziening en verzet de Terugkeerrichtlijn [4] zich daarom tegen de vaststelling dat het verblijf illegaal is. Verder stelt eiseres dat verweerder haar privéleven niet voldoende heeft betrokken. Tenslotte beroept eiseres zich op het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Daarbij wijst zij erop dat verweerder ook de hoorplicht heeft geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De grond dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen omdat eiseres nog bescherming heeft tot en met 4 september 2025, slaagt niet. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 december 2024 weliswaar geoordeeld dat artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn zich ertegen verzet dat aan een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming een terugkeerbesluit wordt opgelegd voordat deze bescherming is geëindigd. [5] De facultatieve tijdelijke bescherming is echter per 4 maart 2024 geëindigd en verweerder heeft dit terugkeerbesluit daarna genomen, namelijk op 7 augustus 2025. [6]
5.1.
Op 7 augustus 2025 was alleen (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, een prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025. [7] Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder op 7 augustus 2025 daarom bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen [8] . Het betoog dat de eerder toegewezen voorlopige voorziening hieraan in de weg staat omdat eiseres hierdoor procedureel rechtmatig verblijf heeft volgt de rechtbank niet. Voor de interpretatie van het begrip “illegaal” in de zin van de Terugkeerrichtlijn moet mede worden gekeken naar het Terugkeerhandboek. [9] In punt 1.2. van het Terugkeerhandboek staat dat personen aan wie uitstel van verwijdering is verleend als illegaal in de betrokken lidstaat verblijvend worden beschouwd. Ook het gegeven dat prejudiciële vragen van de zittingsplaats Amsterdam nog niet zijn beantwoord, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest Kaduna en Abkez.
6. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel op grond van artikel 8 EVRM slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024 volgt dat aan het evenredigheidsbeginsel niet wordt toegekomen, nu de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen [10] . Voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval is daarom geen plaats. Dat eiseres over haar persoonlijke belangen ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit, volgt de rechtbank ook niet. Eiseres is met het indienen van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om haar standpunt naar voren te brengen. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht, namelijk de vreemdeling voor het nemen van een beslissing de gelegenheid te geven haar standpunt toe te lichten.
6.1
Ten slotte heeft de Afdeling in de uitspraken van 23 april 2025 geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
8. Nu verweerder het besluit waartegen eiseres beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Op grond van artikel 8:81 j.o. 6:19 Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Zie artikel 8:57 van de Awb.
4.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
5.C-290/24 (Kaduna en Abkez).
6.Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5213, rechtsoverweging 1.
8.Zie het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBDHA:2025:16397, r.o. 34) en Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, r.o. 10)
9.Aanbeveling (EU) 2017/2338 van 16 november 2017.
10.Afdeling bestuursrechtspraak d.d. 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32. Zie ook de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, noot 6.
11.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.