ECLI:NL:RBDHA:2025:24046

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
16 december 2025
Zaaknummer
NL24.39443
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 59 VwArt. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring vreemdeling en inspanningsplicht bij asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep tegen de maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder legde de bewaring op vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser stelde dat verweerder niet voldeed aan zijn inspanningsplicht om tijdens de voorafgaande strafrechtelijke detentie met voldoende voortvarendheid de asielaanvraag te behandelen en overdracht te regelen, waardoor bewaring onrechtmatig zou zijn. De rechtbank erkende het gebrek in het voortraject, zoals het late aanbieden van de asielaanvraag en het onjuist verstrekken van informatie aan Franse autoriteiten.

Desondanks oordeelde de rechtbank dat het significante risico op onttrekking, mede door het gebruik van een vals reisdocument en eerdere strafrechtelijke veroordeling, zwaarder woog dan de tekortkomingen in het voortraject. Ook was er geen lichter middel passend gezien het gedrag van eiser en de omstandigheden.

Het verzoek om opheffing van de bewaring wegens bereidheid tot terugkeer naar Frankrijk werd afgewezen vanwege twijfel over de oprechtheid. De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.39443

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. C.F. Wassenaar),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 oktober 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. M.Z. Sayin, als waarnemer voor eisers gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Verweerder heeft ter zitting de zware grond 3f en de lichte grond 4d laten vallen.
3. Eiser heeft de resterende gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. Deze gronden, in onderling verband bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring dragen. Er vloeit namelijk uit voort dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
4. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsplicht om tijdens de aan de vreemdelingenbewaring voorafgaande strafrechtelijke detentie met voldoende voortvarendheid eisers asielaanvraag in behandeling te nemen en de nodige handelingen te verrichten met betrekking tot zijn overdracht om te voorkomen dat eiser in bewaring moest worden gesteld. De belangenafweging moet in eisers voordeel uitvallen. Verweerder heeft namelijk lange tijd stilgezeten en daarnaast zijn er andere fouten gemaakt in het voortraject. Zo is niet gebleken dat er tijdig een vertaalde M122 aan eiser is uitgereikt en heeft verweerder in het claimverzoek aan Frankrijk in eerste instantie op 4 oktober 2024 onjuiste informatie verstrekt. Daarnaast heeft eiser zich bereid verklaard om zelfstandig naar Frankrijk te vertrekken, wat hij ook heeft geconcretiseerd door middel van het kopen van een vliegticket.
4.1.
Uit het dossier volgt dat eiser vanaf 20 juli 2024 op basis van een vonnis van de strafrechter in strafrechtelijke detentie heeft gezeten. Aansluitend aan deze detentie is eiser vreemdelingrechtelijk opgehouden en in bewaring gesteld. Tussen partijen is niet in geschil en uit het HV21-formulier Bijzonderheden zaak volgt ook dat verweerder al in een vroeg stadium op de hoogte was van de (vermoedelijke) einddatum van de detentie. Onder deze omstandigheden rustte op verweerder de inspanningsverplichting om te voorkomen dat eiser na afloop van die detentie in bewaring moest worden gesteld (paragraaf A5/6.12. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)). Partijen zijn het erover eens, en de rechtbank deelt die visie, dat verweerder niet aan zijn inspanningsverplichting heeft voldaan. Daarbij is van belang dat eiser al op 8 augustus 2024 te kennen had gegeven asiel aan te willen vragen en verweerder hem pas op 2 oktober 2024 de gelegenheid daartoe heeft geboden. Er is ook pas op 4 oktober 2024 een claimverzoek aan de Franse autoriteiten gedaan, terwijl eiser al op 8 augustus 2024 duidelijk had gemaakt dat en onder welke personalia hij eerder in Frankrijk asiel had aangevraagd. Gelet op het voorgaande kent het voortraject een gebrek. De beroepsgrond slaagt in zoverre.
4.2.
Het gebrek leidt echter niet zonder meer tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig moet worden geacht. Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting is er ruimte voor een belangenafweging (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:764). Deze afweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de duur van de periode waarin verweerder tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser heeft stilgezeten, weegt dat niet op tegen het significante risico op onttrekking aan het toezicht dat – zoals vermeld – volgt uit het samenstel van de resterende gronden van de maatregel. Daarbij wordt met name zwaar gewicht toegekend aan de omstandigheid dat eiser met gebruikmaking van een vals of vervalst reisdocument (Roemeens paspoort) Nederland is ingereisd en daar ook strafrechtelijk voor is veroordeeld. Dat het voortraject nog andere gebreken kent en dit in eisers voordeel mee moet wegen in het kader van de belangenafweging, volgt de rechtbank niet. Anders dan eiser vindt de rechtbank het aannemelijk dat op 23 juli 2024 is geprobeerd een vertaalde M122 aan eiser uit te reiken. Daarbij wordt gewezen op de informatie in het al genoemde HV21-formulier Bijzonderheden zaak dat op 23 juli 2024 een M122 met vertaling is gemaild naar de arrestantenafdeling Dordrecht en dat eiser deze niet wilde accepteren. In het dossier zit ook een M122, op naam van eiser gesteld, ondertekend namens de korpschef op 22 juli 2024 met daarin de datum 23 juli 2024 als datum van uitreiking. De rechtbank ziet in de enkele betwisting van eiser en de omstandigheid dat er geen vertaalde M122 in het dossier is gevoegd, geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de voormelde informatie. Dat er fouten zijn gemaakt rondom de uitreiking van de M122, volgt de rechtbank daarom niet. Dat in het claimverzoek aan Frankrijk van 4 oktober 2024 onjuiste gegevens waren opgenomen klopt in zoverre dat er een verkeerd CASE-ID nummer was vermeld. Hieraan komt echter niet het door eiser gewenste gewicht toe, omdat op basis van de overige bij het claimverzoek verstrekte gegevens, waaronder het nummer van de Eurodacregistratie, de personalia van eiser en de datum van de asielaanvraag in Frankrijk, er bij de Franse autoriteiten redelijkerwijs geen misverstand over heeft kunnen bestaan over wie het claimverzoek ging. Het verstrekken van een onjuist CASE-ID nummer weegt dus niet in eisers voordeel mee. De omstandigheid tot slot dat eiser (inmiddels) te kennen heeft gegeven zelfstandig naar Frankrijk terug te willen keren en ter onderbouwing een vliegticket heeft overgelegd, leidt ook niet tot de conclusie dat de belangenafweging in eisers voordeel uitvalt. Zoals verweerder terecht stelt, valt de oprechtheid van eisers uitlating immers te betwijfelen, aangezien hij enkele dagen daarvoor, in het gehoor inbewaringstelling nog had verklaard dat hij niet terug wil naar Frankrijk en niet mee wil werken aan een overdracht.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft opgelegd althans dat er inmiddels aanleiding is voor oplegging van een lichter middel. Eiser heeft namelijk een kennis in Den Haag bij wie hij kan verblijven, zodat verweerder aan hem een meldplicht kan opleggen. Verder heeft eiser aangegeven dat hij zelfstandig wil terugkeren naar Frankrijk en beschikt hij over voldoende middelen om een vliegticket naar Franrijk te kopen, wat hij ook heeft gedaan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom gezien deze omstandigheden aan eiser geen lichter middel is opgelegd. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1667.
5.1.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in de maatregel terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder heeft daarbij kunnen betrekken dat gelet op het gedrag en de verklaringen van eiser en de hiervoor genoemde dragende gronden en de toelichting op die gronden er een significant risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser heeft pas in beroep een concreet adres genoemd van een kennis bij wie hij zou kunnen verblijven. Verweerder heeft daar bij het opleggen van de maatregel dus geen rekening mee kunnen houden en van een gebrek in de motivering is daarom ook geen sprake. De rechtbank deelt het standpunt van verweerder dat er ook nu geen aanleiding is om een lichter middel op te leggen. Dat eiser in het kader van zijn asielprocedure op 11 oktober 2024 heeft aangegeven zelfstandig naar Frankrijk te willen vertrekken en daarbij een vliegticket heeft overgelegd, is daarvoor onvoldoende. Verweerder stelt terecht dat er getwijfeld kan worden aan de oprechtheid van eisers verklaring. Immers, kort daarvoor, op 7 oktober 2024 tijdens het gehoor inbewaringstelling, had eiser nog verklaard dat hij niet wil terugkeren naar Frankrijk en ook niet wil meewerken aan overdracht. Ook de stelling dat eiser bij een kennis in Den Haag kan verblijven en hij gegevens over de naam en het adres van deze persoon heeft verstrekt, kan eiser niet baten. Dat weegt namelijk niet op tegen het significante onttrekkingsgevaar dat in eisers geval bestaat. De rechtbank wijst daarbij nogmaals in het bijzonder op de wijze waarop eiser Nederland is ingereisd, met gebruikmaking van een vals of vervals reisdocument. Met betrekking tot het beroep op de Afdelingsuitspraak van 13 juni 2022 tot slot wordt overwogen dat de in die zaak aan de bewaring ten grondslag gelegde gronden en tegenwerpingen in het kader van het lichter middel aanmerkelijk verschillen van de gronden en tegenwerpingen in de maatregel van eiser, waardoor eiser geen geslaagd beroep op die uitspraak kan doen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiser voert voorts aan dat op grond van artikel 59, derde lid van de Vw aanleiding bestaat de maatregel op te heffen. Eiser heeft namelijk te kennen gegeven zelf terug te willen gaan naar Frankrijk, wat hij heeft onderbouwd met een ticket voor vertrek naar Frankrijk op 17 oktober 2024.
6.1.
Gelet op wat onder rechtsoverweging 5.2. is overwogen, bestond en bestaat er geen aanleiding voor beëindiging van eisers bewaring op grond van het bepaalde in artikel 59, derde lid, van de Vw in verbinding met artikel 59a, tweede lid, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
7. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, ondanks de hiervoor geconstateerde schending van de inspanningsverplichting (zie de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2243).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Yildiz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.