ECLI:NL:RBDHA:2025:24201

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/7874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische uitkeringszaak

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering. Het Uwv had op 20 maart 2025 besloten dat eiser niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser maakte op 15 april 2025 bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. Eiser heeft op 5 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank heeft op 2 december 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser, zijn echtgenote en de gemachtigde van het Uwv aanwezig waren. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv in gebreke is gesteld. De rechtbank oordeelt dat het Uwv alsnog binnen twee weken na de uitspraak een beslissing moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag aan het Uwv voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt het Uwv op om binnen negen weken na de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken. Eiser krijgt ook zijn griffierecht en reiskosten vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [naam]).

Inleiding

1.1.
In het besluit van 20 maart 2025 heeft het Uwv bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser heeft op 15 april 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiser heeft op 5 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, zijn echtgenote en de gemachtigde van het Uwv deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiser heeft het Uwv op 10 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 13 oktober 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
3.1.
Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
3.2.
Eiser wil dat de rechtbank het Uwv opdraagt om binnen twee weken alsnog een besluit bekend te maken. Op de zitting heeft eiser benadrukt dat hij al veel te lang op een besluit wacht, en dat dit veel stress oplevert. Eiser neemt het verweerder ook kwalijk dat het Uwv in haar brieven beloftes doet over de beslistermijnen en die vervolgens niet nakomt. Eiser begrijpt niet waarom het Uwv de lange wachttijd niet al aan het begin van de bezwaarprocedure communiceert. Eiser vindt dat niet eerlijk.
3.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de beslistermijn is overschreden omdat de verzekeringsarts door het tekort aan artsen en de als gevolg daarvan hoge en nog steeds oplopende werkvoorraad nog niet heeft gerapporteerd.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
3.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
4.1
In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift en op de zitting toegelicht dat het bezwaarschrift met voorrang wordt afgehandeld, maar dat niet bekend is wanneer de beslissing zal worden genomen. Op de zitting heeft eiser geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die de rechtbank aanleiding zouden geven om een andere beslistermijn te hanteren. De rechtbank heeft er begrip voor dat eiser stress ervaart door de lange behandeltijden en vooral door de onzekerheid over de datum waarop er duidelijkheid over de uitkomst van de aanvraag voor eiser zal zijn, maar dit maakt nog niet dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als onder 3.6 bedoeld. Wel ziet de rechtbank aanleiding om, zoals hierna wordt toegelicht, aan het Uwv een dwangsom op te leggen, dit met het doel het Uwv aan te sporen om toch vooral zo snel mogelijk na de uitspraak een beslissing op het bezwaar te nemen.
4.2
Dit oordeel betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
5. Eiser heeft de rechtbank niet verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. Toch ziet de rechtbank hiervoor aanleiding, omdat eiser bijna acht maanden wacht op een beslissing op zijn bezwaar. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van
€ 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- aan eiser moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
7. Van door een derde gemaakt kosten voor rechtsbijstand is niet gebleken. Wel moet het Uwv ook de reiskosten van eiser tot een bedrag van € 18,48 aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 18,48 aan reiskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.