In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering. Het Uwv had op 20 maart 2025 besloten dat eiser niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiser maakte op 15 april 2025 bezwaar tegen dit besluit, maar het Uwv heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. Eiser heeft op 5 november 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank heeft op 2 december 2025 de zaak behandeld, waarbij eiser, zijn echtgenote en de gemachtigde van het Uwv aanwezig waren. De rechtbank constateert dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv in gebreke is gesteld. De rechtbank oordeelt dat het Uwv alsnog binnen twee weken na de uitspraak een beslissing moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag aan het Uwv voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en draagt het Uwv op om binnen negen weken na de uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken. Eiser krijgt ook zijn griffierecht en reiskosten vergoed.