ECLI:NL:RBDHA:2025:24216

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
SGR 25/4806 en SGR 25/7449
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen door het Uwv in medische zaken

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 17 december 2025, zijn de beroepen van eiseres tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in drie medische zaken aan de orde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijnen voor het beslissen op de bezwaren zijn overschreden. Eiseres had bezwaar gemaakt tegen twee besluiten van het Uwv, waarin werd bepaald dat zij niet in aanmerking kwam voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) en dat haar uitkering op grond van de Ziektewet per 9 november 2024 zou stoppen. Eiseres heeft op 15 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op haar bezwaren. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv in gebreke is gebleven en heeft bepaald dat het Uwv binnen twee weken na de uitspraak alsnog besluiten op de bezwaren moet nemen. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft ook bepaald dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden en dat het Uwv € 453,50 aan proceskosten aan eiseres moet betalen. De uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, in aanwezigheid van griffier mr. M.J. Bronsveld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/4806 en SGR 25/7449

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.I. van den Heijkant),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: [naam].

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiseres tegen het niet-tijdig beslissen door het Uwv op twee bezwaarschriften.
SGR 25/4806
1.1.
In het eerste besluit van 8 oktober 2024 (het primaire besluit I) heeft het Uwv bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft op 18 november 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
SGR 25/7449
1.2.
In het tweede besluit van 8 oktober 2024 (het primaire besluit II) heeft het Uwv bepaald dat de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet stopt per 9 november 2024. Eiseres heeft op 18 november 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
In beide beroepen
1.4.
Eiseres heeft op 15 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van beslissingen op haar bezwaren tegen de primaire besluiten I en II.
1.5.
Het Uwv heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
Omdat de beroepen kennelijk gegrond zijn, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijnen om te beslissen op de bezwaren is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 6 mei 2025 met betrekking tot beide bezwaren in gebreke gesteld, en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 7 mei 2025 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op de bezwaren. De beroepen zijn daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 9 juli 2025 tweemaal een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres telkens een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluiten op de bezwaren heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.2.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.3.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In de onderhavige beroepen heeft het Uwv in zijn brief van 4 november 2025 aangegeven dat op 2 september 2025 een spreekuur met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft plaatsgevonden dat op beide procedures zag. Het Uwv geeft aan te proberen binnen enkele weken een beslissing op bezwaar te nemen. Gelet op de tijd die is verstreken tussen het spreekuur en de datum van deze uitspraak zal de rechtbank bepalen dat het Uwv binnen twee weken na de datum van verzending van deze uitspraak een besluit bekend moet maken.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv in beide beroepen een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank heeft de beroepen aangemerkt als zijnde ingediend tegen twee samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, derde lid, van de Awb. Er is daarom eenmaal griffierecht geheven en betaald.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de beroepen aan als samenhangende zaken in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht, zodat 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5, voor vergoeding in aanmerking komt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt in beide zaken het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op de bezwaren bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv per besluit aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 december 2025.
De rechter is verhinderddeze uitspraak te ondertekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.