ECLI:NL:RBDHA:2025:24316

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/5017 en 25/8277
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische herbeoordelingszaak

Op 19 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak tussen de staatssecretaris van Defensie en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). De zaak betreft een beroep ingesteld door de staatssecretaris wegens het uitblijven van een beslissing op herbeoordelingsverzoeken van een (ex-)werknemer die sinds 28 april 2018 een uitkering ontvangt op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De staatssecretaris had op 25 juli 2022 en 15 april 2025 herbeoordeling van de uitkering aangevraagd, maar het Uwv heeft niet tijdig beslist. De rechtbank oordeelt dat de termijn om te beslissen is overschreden en dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft vastgesteld dat het beroep gegrond is en dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan de eiser moet vergoeden. De uitspraak is gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de capaciteitsproblemen bij het Uwv en de noodzaak van een medisch advies voor de herbeoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5017 en 25/8277

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

de staatssecretaris van Defensie, eiser

(gemachtigde: mr. M.H.G. In de Braekt),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv

(gemachtigde: [naam 1]).

Inleiding

1.1.
[naam 2], (ex-)werknemer van eiser, ontvangt sinds 28 april 2018 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 25 juli 2022 heeft eiser verzocht om een herbeoordeling van het recht van de
(ex-)werknemer op deze WIA-uitkering. Op 15 april 2025 is opnieuw een verzoek tot herbeoordeling ingediend.
1.2.
Eiser heeft op 30 juli 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op de herbeoordelingsverzoeken.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op de herbeoordelingsverzoeken is overschreden. Eiser heeft het Uwv zowel op 27 september 2022 als op 11 juni 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan op door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op de herbeoordelingsverzoeken. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft met betrekking tot het herbeoordelingsverzoek van 25 juli 2022 op 28 november 2022 een dwangsombeslissing genomen, waarbij aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Ten aanzien van het herbeoordelingsverzoek van 15 april 2025 is op 14 augustus 2025 eenzelfde beslissing genomen. Gelet hierop, hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsommen niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit op de herbeoordelingsverzoeken heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiser heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten binnen twee weken een besluit bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege een capaciteitsgebrek aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift toegelicht dat de afdeling Sociaal Medische Zaken op de hoogte is gesteld van de onderhavige procedure zodat de herbeoordeling met spoed kan worden opgepakt. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van negen weken door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van
S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.Uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.