ECLI:NL:RBDHA:2025:24319

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
25/5046
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 4:17 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen UWV op bezwaar WIA-uitkering

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 16 december 2024 waarin zij niet in aanmerking werd geacht voor een WIA-uitkering. Nadat het UWV niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiseres het UWV in gebreke en stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat er sprake is van een bijzonder geval vanwege het tekort aan verzekeringsartsen, waardoor het UWV structureel beslistermijnen niet kan halen. Op grond van eerdere jurisprudentie stelt de rechtbank een termijn van zes weken voor het verrichten van een medische beoordeling door een verzekeringsarts en vervolgens drie weken voor het nemen van een besluit, met een maximum van negen weken na verzending van de uitspraak.

Omdat geen medische beoordeling gepland was en het UWV geen datum had gecommuniceerd, bepaalt de rechtbank dat het UWV binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling moet verrichten en binnen drie weken daarna een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Het betaalde griffierecht en proceskosten worden aan eiseres vergoed.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken een beslissing nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5046

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, Uwv

(gemachtigde: [naam 2] ).

Inleiding

1.1.
In het besluit van 16 december 2024 heeft het Uwv bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft op 6 januari 2025 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiseres heeft op 4 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 8 juli 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
2.1.
Vanaf de dag van ontvangst van de ingebrekestelling had het Uwv twee weken de tijd om een beslissing te nemen. Omdat binnen deze termijn geen beslissing is genomen, is het Uwv aan eiseres de maximale dwangsom verschuldigd. [1] Nu niet is gebleken dat verweerder de dwangsom inmiddels bij beschikking heeft vastgesteld, zal de rechtbank dit doen. [2]
2.2.
Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
2.3.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten binnen twee weken een besluit bekend te maken.
2.4.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan verzekeringsartsen.
3. De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [3] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.1.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat hij binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [4]
3.2.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [5]
3.3.
Uit de dossierstukken blijkt dat tussen eiseres en het Uwv contact heeft plaatsgevonden over het inplannen van een hoorzitting. Uit dit contact blijkt evenwel niet concreet of daadwerkelijk een datum kon worden afgesproken. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen, heeft de rechtbank bij brief van 12 november 2025 verzocht de stand van zaken mee te delen. Hierop is geen reactie ontvangen. De rechtbank gaat er derhalve van uit dat er geen hoorzitting met een verzekeringsarts heeft plaatsgevonden en dat er ook geen datum is ingepland.
3.4.
Nu niet is gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal gaan plaatsvinden, bepaalt de rechtbank dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen van € 100,- per dag. De rechtbank stelt vast dat deze dwangsom in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [6] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog door hem wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
5. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • stelt de door het Uwv te betalen dwangsom vast op € 1.442,-;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van
S.I. Teunissen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb.
2.Op grond van artikel 8:55c van de Awb.
3.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
5.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
6.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.