In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres had op 6 januari 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 december 2024, waarin het Uwv haar aanvraag had afgewezen. Aangezien het Uwv niet binnen de wettelijke termijn van zes weken op het bezwaar had beslist, heeft eiseres op 4 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank heeft vastgesteld dat het Uwv de beslistermijn heeft overschreden en dat er geen beslissing is genomen op het bezwaar. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een besluit moet nemen en heeft een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Tevens is het Uwv veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten aan eiseres. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de structurele tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv, wat heeft geleid tot het uitblijven van beslissingen in soortgelijke zaken. De uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits op 19 december 2025.