In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Eiseres had op 28 april 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 21 maart 2025, waarin het Uwv haar aanvraag had afgewezen. Na het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft eiseres op 29 oktober 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is overschreden en dat het Uwv in gebreke is gesteld. De rechtbank oordeelt dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een beslissing moet nemen, en dat er een dwangsom van € 100,- per dag moet worden opgelegd voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. Tevens moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden en de proceskosten betalen. De rechtbank heeft de uitspraak gedaan zonder zitting, op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het beroep kennelijk gegrond is.