De rechtbank stelt vast – en dit staat tussen partijen ook niet ter discussie – dat
de eisende partij de gronden van beroep niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft ingediend. In bepaalde gevallen moeten bestuursrechters bij de beoordeling van de
verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding meer rekening houden met bijzondere
omstandigheden die de indiener van het beroepschrift betreffen. Dit volgt uit recente
rechtspraak, bijvoorbeeld van de grote kamer van het College van Beroep voor het
bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1871, onder 11.1. Zulke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval echter niet gesteld of gebleken (zie ook hiervoor onder 3.). Daarom is de te late indiening niet verschoonbaar en bestaat er in beginsel aanleiding om het beroep van de eisende partij niet-ontvankelijk te verklaren met toepassing de nationale procedureregels (artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb in verbinding met de hiervoor vermelde bepalingen in het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken). 4. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan onder bijzondere, op de
individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden de noodzaak bestaan om ter
voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht
neergelegde procedureregel niet tegen te werpen (Bahaddar-omstandigheden)(vgl. EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, Bahaddar tegen Nederland, paragraaf 45 en bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2024,
en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat verweerder bij overdracht van die
vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden. De bestuursrechter moet beoordelen of
zulke bijzondere feiten of omstandigheden zich voordoen. Dat vergt een zelfstandige toets
van de bestuursrechter, die losstaat van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze
beoordeling moet worden verricht in het licht van het standpunt van verweerder over wat de
vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd en wat algemeen bekend is over het land van
waaraan de vreemdeling zal worden overgedragen.