ECLI:NL:RVS:2024:1871
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht onttrekken woning aan woningvoorraad
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde [appellante] boetes op wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de woningvoorraad, onder meer door shortstay verhuur en omzetting naar onzelfstandige woonruimten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar [appellante] ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat de woning niet werd bewoond met het oog op langdurig hoofdverblijf. Hoewel bewoners niet in de basisregistratie personen stonden ingeschreven, was dit onvoldoende om te concluderen dat zij geen hoofdverblijf hadden. Ook het ontbreken van een schriftelijke huurovereenkomst en de bepalingen in de arbeidsovereenkomst waren niet doorslaggevend.
Verder werd geoordeeld dat de bezwaartermijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat het college zijn onderzoeksbevoegdheden niet onrechtmatig had ingezet. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het boetebesluit van 25 juli 2019 vernietigd en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak van de rechtbank bleef in stand voor het eerdere boetebesluit van 25 februari 2019.
Uitkomst: Het boetebesluit van 25 juli 2019 wordt vernietigd wegens onterecht onttrekken woning aan woningvoorraad; het eerdere boetebesluit blijft gehandhaafd.