Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Rechtbank Den Haag
Eiser had een verblijfsvergunning voor studie die op 30 maart 2024 verliep. Hij diende op 25 april 2024 een aanvraag in voor wijziging van het verblijfsdoel naar het zoekjaar. De minister verleende de vergunning met ingang van 21 mei 2024, de datum waarop eiser zijn diploma overlegde en aan alle voorwaarden voldeed.
Eiser maakte bezwaar tegen de ingangsdatum omdat hij meende dat zijn verblijf rechtmatig was en dat de vergunning eerder had moeten ingaan, aansluitend op de vorige vergunning. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna eiser beroep instelde.
De rechtbank overwoog dat de wet voorschrijft dat de vergunning niet eerder kan ingaan dan de dag waarop aan alle voorwaarden is voldaan en dat de minister hieraan gebonden is. De verblijfssticker die eiser ontving bood slechts procedureel verblijf en kon het verblijfsgat niet opheffen. Ook was het terecht dat de minister het bezwaar zonder hoorzitting afdeed omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de ingangsdatum van de vergunning ongewijzigd bleef. Eiser kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning op 21 mei 2024.