ECLI:NL:RVS:2021:973
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 22 juli 2019 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 11 december 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit op 24 december 2020 ongegrond. De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was. De staatssecretaris had onterecht van het horen afgezien, omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. De Afdeling vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en het besluit van 11 december 2019.
Desondanks liet de Afdeling de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat inhoudelijk geen reden was om het besluit onjuist te achten. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht aan de vreemdelingen. Hiermee werd het hoger beroep gegrond verklaard, maar het besluit bleef feitelijk van kracht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis en besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.