ECLI:NL:RBDHA:2025:25107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
24 december 2025
Zaaknummer
NL25.36500
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somaliër wegens gebrek aan geloofwaardigheid van de asielmotieven

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser, een Somalische nationaliteit, tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. Eiser heeft op 26 april 2023 een aanvraag ingediend, die op 23 juli 2025 door verweerder als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft de zaak op 13 november 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, maar verweerder ontbrak vanwege capaciteitsproblemen. Eiser stelt dat hij gediscrimineerd wordt vanwege zijn afkomst van de Jareer stam en dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer naar Somalië. De rechtbank oordeelt dat de asielmotieven van eiser niet geloofwaardig zijn, met name het motief van discriminatie. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare gronden zijn behandeld en concludeert dat de afwijzing van de asielaanvraag terecht is. De rechtbank constateert wel enkele gebreken in de procedure, maar besluit deze te passeren omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad. De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 1.814,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.36500

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 26 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juli 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond [1] . Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Verweerder was, met voorafgaande kennisgeving, vanwege capaciteitsproblemen niet aanwezig. Als tolk was aanwezig A. Yahye.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft – kort samengevat – aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij gediscrimineerd wordt vanwege het feit dat hij tot de minderheidsstam de Jareer behoort. Eisers vader is mishandeld door een meerderheidsstam en is aan de gevolgen hiervan overleden. Eiser heeft geprobeerd aangifte te doen maar is toen mishandeld op zijn werk. Hij is daarom gevlucht naar [plaats]. Daar is hij gebeld door leden van een meerderheidsstam, die ook lid zijn van Al-Shabaab, met de boodschap dat ze hem zouden vermoorden. Bij terugkeer vreest eiser vermoord te worden door Al-Shabaab of de dominante stam uit zijn omgeving.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen door behoren tot de Jareer; en
ervaren discriminatie door behoren tot de Jareer.
3.1.
Verweerder vindt het eerste en derde asielmotief geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft ervaren door het behoren tot de Jareer vindt verweerder niet geloofwaardig. De verklaringen van eiser over dit asielmotief vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel [2] . Verder vindt verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, voor wat betreft de geloofwaardige asielmotieven, een vrees heeft voor vervolging [3] of reëel risico op ernstige schade loopt [4] bij terugkeer naar Somalië. De discriminatie die eiser heeft ervaren heeft volgens verweerder namelijk niet tot dusdanige ernstige beperkingen van zijn bestaansmogelijkheden geleid dat dit als daad van vervolging moet worden aangemerkt. Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert - kort samengevat - het volgende aan. Ten onrechte is het bestreden besluit niet ondertekend. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling [5] van 6 november 2023 [6] . Verweerder heeft ook ten onrechte geen informatie verstrekt over de deskundigheid van de beslisambtenaar [7] en geen schriftelijke vertaling van het terugkeerbesluit en het inreisverbod overgelegd [8] . Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet kenbaar vermeld wat het referentiekader van eiser is. Dit volgt volgens eiser uit vaste rechtspraak van de Afdeling van 26 april 2023 [9] , Werkinstructie 2024/6 [10] en artikel 4, derde lid, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [11] . Verder had verweerder eiser moeten verzoeken schriftelijk de inhoud van het verslag van het nader gehoor te bevestigen. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het besluit in strijd met artikel 17, derde lid, van de Pri. Eiser verzoekt de rechtbank hier prejudiciële vragen over te stellen. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder hem niet had mogen tegenwerpen dat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn nu verweerder hem niet met deze tegenstrijdigheden heeft geconfronteerd en de verklaringen bovendien niet tegenstrijdig zijn. Verweerder heeft de correcties en aanvullingen onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem [12] en een uitspraak van de Afdeling van 14 december 2020 [13] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eiser of verweerder zijn asielaanvraag kon afwijzen als ongegrond. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank haar oordeel uit.
6. De rechtbank stelt voorop dat de gemachtigde van eiser in een aantal zaken grotendeels identieke beroepsgronden aanvoert. Deze gronden zijn in eerdere uitspraken reeds beoordeeld en hebben toen niet geleid tot een gegrond beroep. Voor zover eiser in de onderhavige zaak wederom dezelfde argumenten naar voren brengt, volstaat de rechtbank te verwijzen naar haar eerdere overwegingen op dit punt. De rechtbank gaat hieronder slechts nader in op die onderdelen van de beroepsgronden die in deze zaak specifiek zijn opgeworpen of die aanleiding geven tot een aanvullende motivering.
Ondertekening van het besluit en de opleiding van de beslisambtenaar
7. De rechtbank heeft dezelfde beroepsgronden ten aanzien van de ondertekening van het besluit en de opleiding van de beslisambtenaar reeds beoordeeld in eerdere zaken waarin de gemachtigde optrad [14] . De rechtbank is, onder verwijzing naar die eerdere uitspraken [15] , van oordeel dat het ontbreken van een handtekening op het besluit geen gebrek is omdat ondertekening niet verplicht is. Bovendien is het besluit ook zonder handtekening voldoende kenbaar en toetsbaar voor eiser. Ook is er geen grond voor het oordeel dat niet zou zijn voldaan aan artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, van de Pri omdat de betreffende beslisambtenaar onvoldoende zou zijn opgeleid om een besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Referentiekader
8. Voor zover eiser stelt dat dat verweerder in het bestreden besluit niet kenbaar heeft vermeld wat het referentiekader van eiser is, overweegt de rechtbank dat het expliciet uiteenzetten van het referentiekader in het bestreden besluit geen vereiste is. Waar het om gaat, is dat verweerder bij de beoordeling van de verklaringen rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling zoals zijn leeftijd, achtergrond, ervaringen en overtuigingen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit onvoldoende kenbaar heeft gedaan. In het voornemen refereert verweerder slechts twee keer aan het referentiekader door te stellen dat daar niet uit blijkt dat eiser “moeite zou hebben met de volgorde van gebeurtenissen” en ook niet dat hij “het verschil niet zou weten tussen licht en donker” [16] . Hieruit blijkt onvoldoende dat verweerder rekening heeft gehouden met het referentiekader bij de volledige besluitvorming, waaronder de geloofwaardigheidsbeoordeling in het besluit. Deze passages in het voornemen zien namelijk op wat volgens verweerder niet uit eisers referentiekader volgt, maar daaruit volgt niet zozeer wat het referentiekader is en hoe verweerder rekening heeft gehouden met bijvoorbeeld de leeftijd, culturele achtergrond of het opleidingsniveau van de eiser. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. De rechtbank constateert dan ook dat sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek. Echter ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb [17] te passeren nu eiser heeft nagelaten te onderbouwen van welk referentiekader verweerder had moeten uitgaan en waarom dat van invloed is geweest op zijn vermogen om te verklaren. Gelet op vaste jurisprudentie is het aan de vreemdeling om deze individuele omstandigheden naar voren te brengen. [18] Een vreemdeling is immers zelf het beste op de hoogte van zijn eigen cultuur en de manier waarop, gezien de culturele context, verweerder zijn verklaringen moet begrijpen.
Vertaling van het terugkeerbesluit
9. Uit artikel 12, tweede lid, van de Tri volgt dat verweerder slechts op verzoek een schriftelijke of mondelinge vertaling dient te verstrekken. Nu eiser in de zienswijze heeft verzocht om een schriftelijke vertaling van de belangrijkste onderdelen van het terugkeerbesluit, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank dan ook gehouden om deze vertaling aan eiser te verstrekken. Daarbij overweegt de rechtbank dat in het bestreden besluit onder kopje 4. ‘Gevolgen van dit besluit’ geen QR-code is opgenomen waardoor informatie over het terugkeerbesluit in andere talen kan worden geraadpleegd. Door niet aan het verzoek van eiser te voldoen en geen vertaling te verstrekken, constateert de rechtbank dat sprake is van een gebrek. Echter ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren nu eiser hierdoor niet in zijn belangen in geschaad. Eiser is tijdens de procedure bijgestaan door een advocaat die zijn belangen heeft behartigd. Niet is gebleken dat eiser door het ontbreken van de vertaling zodanig is benadeeld dat hij zijn standpunt niet naar behoren heeft kunnen toelichten of zijn rechtspositie niet heeft kunnen bepalen.
Bevestiging van de inhoud van het verslag van het gehoor en correcties en aanvullingen
10. Voor zover eiser aanvoert dat het besluit in strijd is met artikel 17, derde lid, van de Pri, nu verweerder niet om een bevestiging van de inhoud van het verslag heeft gevraagd, overweegt de rechtbank dat zij dezelfde beroepsgrond reeds in een eerdere zaak [19] waarin de gemachtigde optrad heeft beoordeeld. Omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel leiden, volstaat de rechtbank te verwijzen naar die eerdere overwegingen. Naar het oordeel van de rechtbank was verweerder niet gehouden om van eiser een schriftelijke bevestiging van de inhoud van het verslag te vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
11. Daarnaast is niet gebleken dat verweerder de correcties en aanvullingen niet heeft meegenomen. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de correcties en aanvullingen heeft bekeken, maar van oordeel is dat een deel van de correcties en aanvullingen volgens verweerder geen verschoonbare reden bevatten voor de tegenstrijdige verklaringen [20] . Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat correcties en aanvullingen niet bedoeld zijn om het verslag van het gehoor inhoudelijk aan te vullen. Uit artikel 17, derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt namelijk onmiskenbaar dat met de correcties en aanvullingen slechts opmerkingen gemaakt kunnen worden en/of opheldering verschaft kan worden over verkeerd vertaalde passages of misvattingen in het verslag. De rechtbank is van oordeel dat eiser tijdens het gehoor voldoende in de gelegenheid is gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen en/of inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen.
Confronteren met tegenstrijdige verklaringen
12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 16 van de Procedurerichtlijn (geïmplementeerd in artikel 3.113, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000) door niet alle tegenstrijdigheden die eiser later zijn tegengeworpen aan hem voor te leggen in het nader gehoor. Uit deze bepalingen vloeit niet voort dat verweerder alleen tegenwerpingen mag hanteren die eerst expliciet aan eiser zijn voorgehouden in het gehoor. De bedoeling van deze bepalingen is dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om nader te verklaren over tegenstrijdigheden in het relaas. De rechtbank stelt vast dat eiser in ruime mate gelegenheid heeft gehad om te verklaren over de elementen die verweerder als ongeloofwaardig bestempelt en wel degelijk ook in het gehoor is geconfronteerd met onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in zijn verklaringen [21] . De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2020 [22] gaat ook niet op, omdat in de zaak waar die uitspraak op ziet verweerder in het voornemen een groot aantal tegenstrijdigheden constateerde, terwijl hij de vreemdeling tijdens het gehoor met geen enkele daarvan had geconfronteerd. Dat ligt in de zaak van eiser anders. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verklaringen over zijn problemen door het behoren tot de Jareer
13. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard over het tijdstip van het incident waarbij hij foto’s heeft genomen van zijn vader na de aanval. Ook vindt verweerder de verklaringen van eiser over het telefoongesprek in [plaats] en over de vraag of de beller zich als lid van Al-Shabaab kenbaar heeft gemaakt, tegenstrijdig. De rechtbank laat in het midden of deze verklaringen daadwerkelijk tegenstrijdig zijn en of verweerder deze tegenstrijdigheden heeft mogen tegenwerpen. Wat daarvan ook zij, vaststaat dat verweerder eiser ook heeft tegengeworpen dat hij vaag heeft verklaard over hoe Al-Shabaab zou weten waar hij zich in [plaats] bevond, en dat hij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard over wat er gebeurde nadat zijn vader was aangevallen en hij naar hem toe ging. Eiser heeft deze tegenwerpingen niet weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank blijft er dan ook voldoende staan zodat verweerder de gestelde problemen door het behoren tot de Jareer niet geloofwaardig heeft mogen vinden.

Conclusie en gevolgen

14. Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
15. In de geconstateerde gebreken ziet de rechter aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.814,- [23] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
3.Op grond van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.
4.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
7.Dit is volgens eiser in strijd met artikel 10, derde lid, aanhef en onder c, van de Procedurerichtlijn, Richtlijn 2013/32/EU (hierna: Pri).
8.Dit is volgens eiser in strijd met artikel 12, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, Richtlijn 2008/115/EG (hierna: Tri).
9.ECLI:NL:RVS:2023:1622, r.o. 3.1, 4.
10.Werkinstructie 2024/6 ‘Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel)’, p. 2, 7.
11.Richtlijn 2011/95/EU (hierna: Kri).
13.ECLI:NL:RVS:2020:2959, r.o. 1.1.
15.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 juni 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:3829, r.o. 5.1.; uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13520, r.o. 8.; uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12245, r.o. 7..
16.Voornemen van 25 februari 2025, p. 3-4.
17.Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
18.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:341.
19.Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21292.
20.Bestreden besluit van 23 juli 2025, p. 2-3.
21.Zie bijvoorbeeld p. 17, 18, 20, 28 van het Verslag van het nader gehoor.
22.ECLI:NL:RVS:2020:2959, r.o. 1.1.
23.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1.