ECLI:NL:RBDHA:2025:25396
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep wegens niet tijdig besluit op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De minister van Asiel en Migratie heeft geen verweerschrift ingediend. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro.
De rechtbank overweegt dat de aanvraag wordt getoetst aan het recht op het moment van ontvangst en dat de beslistermijn van artikel 2u Vreemdelingenwet 2000 niet van toepassing is. Gezien de bijzondere omstandigheden bij aanvragen om gezinshereniging bij houders van een asielvergunning, wordt een langere beslistermijn dan twee weken opgelegd, namelijk acht weken, met een mogelijkheid tot verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
In deze zaak heeft de minister wel de ontvangst bevestigd, maar nog niet inhoudelijk naar de aanvraag gekeken. De rechtbank legt daarom een termijn van acht weken op waarbinnen een besluit moet worden genomen. Voor elke dag overschrijding verbeurt de minister een dwangsom van €100 met een maximum van €15.000. De rechtbank stelt vast dat reeds €1.442 aan dwangsommen is verbeurd.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit, en draagt de minister op binnen de gestelde termijn een besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een termijn en dwangsommen op en veroordeelt de minister tot vergoeding van kosten.