ECLI:NL:RBDHA:2025:25479

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
NL25.61247
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van vreemdeling in het kader van asielprocedure en verlenging van de maatregel

Op 30 december 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de bewaring van een vreemdeling, eiser, die door de minister van Asiel en Migratie in bewaring was gesteld op 5 december 2025. De bewaring was gebaseerd op artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister heeft de maatregel op 15 december 2025 met maximaal drie maanden verlengd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding moet worden aangemerkt. De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 behandeld, waarbij eiser via een beeldverbinding aanwezig was, samen met zijn gemachtigden en de gemachtigde van de minister.

De rechtbank heeft beoordeeld of de minister de maatregel van bewaring met een juiste grondslag heeft verlengd. Eiser betoogde dat de verlenging op een andere wettelijke grondslag was gebaseerd dan de oorspronkelijke maatregel. De rechtbank oordeelde echter dat de verlenging op eenzelfde wettelijke grondslag was gebaseerd als de oorspronkelijke maatregel, en dat de minister de bewaring terecht heeft verlengd. De rechtbank concludeerde dat er voldoende gronden waren om aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, en dat de minister niet had hoeven volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling.

Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting was, omdat het luchtruim boven Venezuela is afgesloten. De rechtbank oordeelde dat dit niet relevant was voor de beoordeling van het beroep, aangezien de asielaanvraag inmiddels was afgewezen. Eiser stelde ook dat de maatregel in strijd was met artikel 8 van het EVRM, maar de rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor een gezinsleven. Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61247

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. De minister heeft op 5 december 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd. Deze maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). [1]
1.1.
De minister heeft op 15 december 2025 de maatregel van bewaring met ten hoogste drie maanden verlengd. [2]
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. [3]
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldverbinding), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister de maatregel van bewaring met een juiste grondslag verlengd?
2. Het beroep richt zich tegen de maatregel van bewaring van 5 december 2025, waarbij de minister eiser in bewaring heeft gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000. Voordat de uiterlijke termijn uit artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 was verstreken, heeft de minister bij besluit van 15 december 2025 de bewaring met ten hoogste drie maanden verlengd met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 (verlengingsbesluit). Dit verlengingsbesluit heeft de minister gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59b van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. Eiser had gedurende zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf in afwachting van een beslissing op die aanvraag. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser sinds de asielbeschikking van 15 december 2025, op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw 2000, rechtmatig verblijf heeft gedurende de beroepstermijn en tijdens een eventueel in te dienen (tijdig) verzoek om een voorlopige voorziening. [4]
2.2.
De verlenging van de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als een voortduring van de maatregel van bewaring vanaf de datum van het verlengingsbesluit. Nu het verlengingsbesluit is genomen voordat de rechtbank het onderzoek heeft gesloten, zal de rechtbank ook de voortduring van de maatregel van bewaring na het verlengingsbesluit in deze beroepsprocedure beoordelen.
2.3.
Eiser voert aan dat de minister met het verlengingsbesluit de maatregel van bewaring heeft laten voortduren op een andere wettelijk grondslag dan de grondslag waarop de maatregel van bewaring oorspronkelijk was gebaseerd. Eiser betoogt hiertoe dat de maatregel van bewaring is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De verlenging is echter gebaseerd op enkel artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. De minister heeft daarmee de grondslag gewijzigd. Op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, kan een maatregel van bewaring echter enkel verlengd worden en niet gewijzigd.
2.4.
Een verlenging van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 moet naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de bewoordingen van die bepaling, worden aangemerkt als een voortduring van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b of c, van de Vw 2000. De maatregel van bewaring is op 5 december 2025 opgelegd op de wettelijke grondslagen van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b én c, van de Vw 2000. Dat het de maatregel van bewaring van 5 december 2025 alleen is gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, zoals eiser stelt, berust op een onjuiste lezing van dat besluit. In het verlengingsbesluit staat dat de maatregel van bewaring, met toepassing van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, wordt verlengd op de grondslag van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Op deze wettelijke grondslag was de maatregel van bewaring van 5 december 2025, zoals de gemachtigde van minister ter zitting uitdrukkelijk heeft bevestigd, ook gebaseerd. [5] Met het verlengingsbesluit heeft de minister de maatregel van bewaring laten voortduren op eenzelfde wettelijke grondslag als de grondslag waarop de maatregel van bewaring (onder meer) oorspronkelijk was gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 hiervoor voldoende basis. De rechtbank benadrukt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 niet langer de grondslag voor de bewaring kan zijn nadat de asielaanvraag is afgewezen. [6] Daarom kan in dit geval dat artikel niet als grondslag dienen voor het verlengingsbesluit. De rechtbank laat deze grondslag daarom verder onbesproken.
2.5.
Gelet op het voorgaande heeft de minister de bewaring van eiser, op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000, mogen verlengen met maximaal drie maanden. De verlenging is beperkt tot de duur van het rechtmatig verblijf van eiser, wat afhankelijk is van de rechtsmiddelen die hij indient tegen de asielbeschikking van 15 december 2025. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), [7] als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Tevens heeft de minister in de maatregel van bewaring overwogen dat eiser (1°) in bewaring werd gehouden in het kader van een terugkeerprocedure uit hoofde van de Terugkeerrichtlijn, (2°) reeds de mogelijkheid van toegang tot de asielprocedure heeft gehad en (3°) op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3.1.
Eiser heeft alle zware en lichte gronden betwist. Over de zware grond 3a voert eiser aan dat hij bij aankomst in Schiphol zich direct heeft gemeld voor een asielaanvraag, wat voor een asielzoeker de gebruikelijke gang van zaken is. Verder voert eiser aan dat de zware grond 3c weliswaar feitelijk juist is, maar dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing op zijn eerste asielaanvraag, welke procedure hij mag afwachten. Over de zware grond 3i voert eiser aan dat hij weliswaar heeft verklaard liever niet teruggaat naar Venezuela, maar dat dit niet betekent dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer. Over de lichte gronden voert eiser aan dat bekend is dat de discussie omtrent de lichte grond 4c schimmig is, dat eiser op een COa-locatie verblijft en dat het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan inherent is aan het zijn van asielzoeker en het indienen van een asielaanvraag.
3.2.
De minister heeft de lichte grond 4a op zitting laten vallen.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er voldoende gronden aanwezig om te kunnen aannemen dat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser op 14 december 2022 Nederland is ingereisd en bij de grensbewaking heeft aangegeven naar Duitsland te willen reizen. Omdat eiser niet teruggestuurd wilde worden naar Venezuela, heeft hij in Nederland asiel aangevraagd.
Zoals de minister terecht stelt, beoogt de derdelander die asiel aanvraagt langdurig verblijf in Nederland. [8] Daarnaast is de zware grond 3c feitelijk juist, omdat eiser op 11 november 2024 een terugkeerbesluit heeft gekregen en het beroep daartegen is bij uitspraak 20 oktober 2025 [9] ongegrond verklaard. De vertrektermijn is op 17 november 2025 [10] verlopen en eiser heeft aan zijn vertrekplicht geen gevolg gegeven. Omdat de zware gronden 3a en 3c samen voldoende zijn om de conclusie te rechtvaardigen dat in het geval van eiser sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht, [11] kan wat is aangevoerd over de andere zware en lichte gronden niet leiden tot het oordeel dat er onvoldoende gronden zijn die de maatregel kunnen dragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt, omdat het luchtruim boven Venezuela is afgesloten.
4.1.
De bewaringsgrondslag als bedoeld in artikel 59b, eerste lid van de Vw 2000 hangt samen met een nog lopende asielaanvraag. Voor bewaring op grond van deze bepaling is in beginsel geen redelijk vooruitzicht op verwijdering vereist. [12] Dat is anders als een asielaanvraag inmiddels is afgewezen. In het geval van eiser heeft de minister bij besluit van 15 december 2025 zijn asielaanvraag afgewezen en bepaald dat hij het beroep daartegen niet in Nederland mag afwachten. De behandeling van een voorlopige voorziening mag eiser wel in Nederland afwachten. Op de zitting hebben eiser en de minister bevestigd dat een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, [13] zodat op eiser alsnog geen vertrekplicht rust. Of het zicht op uitzetting naar Venezuela al dan niet ontbreekt, is voor de beoordeling van dit beroep dus niet relevant. Het feit dat het ministerie van Buitenlandse Zaken afraadt om naar Venezuela te reizen, doet daar niet aan af, omdat van een terugkeerprocedure op dit moment geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser heeft een vriendin bij wie kan hij verblijven. Eiser benadrukt dat zijn vriendin in verwachting was en dat de zwangerschap onlangs onvrijwillig is afgebroken. Met het opleggen van een meldplicht kan hij zijn vriendin in deze situatie ondersteunen en hoeft hij niet in bewaring te worden gesteld. Daarnaast betoogt eiser dat het luchtruim boven Venezuela is afgesloten, waardoor geen zicht op uitzetting bestaat. Ook om deze reden had de minister aanleiding moeten zien om een lichter middel toe te passen.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat de gronden waar de maatregel van bewaring op is gebaseerd maken dat sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Het feit dat eiser een vriendin heeft bij wie hij kan verblijven en dat daarom een meldplicht zou kunnen volstaan, doet aan dat onttrekkingsrisico op zichzelf genomen niet af. Bovendien legt eiser daarmee niet uit waarom het onttrekkingsrisico inmiddels zou zijn afgenomen. Eiser heeft slechts gesteld – maar niet onderbouwd – dat hij een vriendin heeft en dat haar zwangerschap onvrijwillig is afgebroken. [14] Alleen al daarom had de minister geen aanleiding hoeven zien om tot toepassing van een lichter middel over te gaan. Omdat op eiser geen vertrekplicht rust [15] , maakt de omstandigheid dat het luchtruim boven Venezuela is afgesloten niet dat de minister alsnog een lichter middel had moeten toepassen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is er sprake van strijd met artikel 8 van het EVRM?
6. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring in strijd is met artikel 8 van het EVRM, omdat dit hem belemmert om bij zijn vriendin zijn.
6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat van een gezinsleven niet is gebleken. De enkele niet onderbouwde stelling dat eiser een vriendin heeft is daarvoor onvoldoende. De minister heeft de maatregel van bewaring dan ook niet in strijd met artikel 8 van het EVRM opgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [16]

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verwezen wordt naar het kruisje op pagina 1 bij ii) en pagina 6 bij iii) van de M109B.
2.Artikel 59b, derde lid, van de Vw 2000 maakt dat mogelijk.
3.Dat staat in artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.
4.Zie de uitspraken van de ABRvS van 15 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3442, r.o. 4., en van 7 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2339.
5.Zie het M109-formulier, p. 6.
6.Zie de uitspraak van de ABRvS van 3 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1291, herhaald in de uitspraak van 5 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:430.
7.In het bijzonder artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb 2000.
8.Vergelijk ABRvS 22 december 202, ECLI:NL:RVS:2021:2870, r.o. 4.
9.Zaaknummer: NL24.48829.
10.Bij besluit van 11 november 2024 is aan eiser een vertrektermijn van vier weken verleend. Omdat het beroep daartegen bij uitspraak van 20 oktober 2025 ongegrond is verklaard, verloopt de vertrektermijn vier weken na deze uitspraak, dus op 17 november 2025.
11.Zie ook artikel 5.1c, tweede lid, van het Vb 2000.
12.ABRvS 27 juni 2022, ECLI:NLRVS:2022:1813, r.o. 4.
13.Dit volgt ook uit de brief van de minister van 16 december 2025, waarin hij de rechtbank verzoekt om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening en het beroep van eiser tegen het besluit van 15 december 2025 met voorrang op een zitting te plaatsen.
14.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 5 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19109, r.o. 8.1.
15.Dit volgt uit rechtsoverweging 16 van deze uitspraak.
16.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).