ECLI:NL:RVS:2024:2339
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing bewaring vreemdeling na afwijzing asielaanvraag
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 2 januari 2024 in bewaring vanwege zijn asielaanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring gegrond en beval opheffing van de maatregel per 19 januari 2024, met toekenning van schadevergoeding.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf meer had. Door het ingediende verzoek om een voorlopige voorziening had de vreemdeling rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris daarom de bewaring op grond van artikel 59b, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kon verlengen vanwege het nog lopende onderzoek naar identiteit en nationaliteit. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is rechtmatig verlengd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.