ECLI:NL:RBDHA:2025:25972

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 oktober 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
NL25.44809
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de EU
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening en LHBTI-risico's in Bulgarije

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Bulgarije volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

De rechtbank heeft op 30 september 2025 het beroep behandeld en beoordeelt of het niet in behandeling nemen terecht is. Eiser stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege een expliciet anti-LHBTI-beleid in Bulgarije, waardoor hij zich daar niet veilig voelt en risico loopt op schending van zijn rechten.

De rechtbank overweegt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun internationale verplichtingen nakomen, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden met structurele tekortkomingen die een hoog niveau van zwaarwegendheid bereiken. Eiser is hier niet in geslaagd. Uit recente uitspraken blijkt dat Bulgarije nog steeds als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangemerkt en dat LHBTI-asielzoekers niet structureel slechter worden behandeld.

De rechtbank wijst erop dat eiser zich bij problemen tot de Bulgaarse autoriteiten had moeten wenden, wat hij niet heeft gedaan. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, het besluit blijft in stand en eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Proceskosten worden niet toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet in behandeling nemen van de asielaanvraag blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44809
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 16 september 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, T. Sharaf als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.
1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Welke lidstaat is verantwoordelijk voor de asielaanvraag?
5. Eiser voert aan dat ten aanzien van Bulgarije niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Gezien de expliciet anti-LHBTI-houding vanuit de Bulgaarse autoriteiten is het niet reëel om te stellen, zoals de minister doet, dat bij voorkomende problemen geklaagd kan worden bij de Bulgaarse autoriteiten. De minister wijst op de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 20252, maar die ziet niet op de specifieke situatie van eiser die zich als LHBTI-er niet veilig voelt in Bulgarije en daar ook lastiggevallen is.
6. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat de minister, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uit mag gaan dat alle lidstaten het unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom in beginsel aan eiser om aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM3 en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn, die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit de uitspraken van de Afdeling van 14 maart 2025 en 19 juni 20254 volgt dat ten aanzien van Bulgarije nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden voor een ander oordeel. Er zijn geen aanwijzingen dat LHBTI’ers die asiel hebben gevraagd in Bulgarije in een nadeliger positie verkeren ten opzichte van andere asielzoekers. In geval van voorkomende problemen in Bulgarije dient eiser zich wenden tot de Bulgaarse autoriteiten. Eiser heeft dit niet gedaan toen hij in Bulgarije was. Dat anderen hem hebben verteld dat het geen zin heeft om aangifte te doen, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat klagen bij de autoriteiten niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Bulgarije. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
10 oktober 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.