AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen weigering asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Frankrijk onder Dublinverordening
Eiseres, een Ethiopische vrouw, diende op 29 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag op grond van de Dublinverordening, aangezien zij eerder een Schengenvisum van Frankrijk had ontvangen. Verweerder nam haar aanvraag niet in behandeling.
Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is vanwege systeemfouten in het Franse opvangsysteem, onderbouwd met het AIDA-rapport 2024 en verwijzingen naar jurisprudentie. De rechtbank oordeelde dat het rapport geen bewijs levert voor een zodanige ernstige tekortkoming die een reëel risico op schending van artikel 3 EVRMPro en artikel 4 HandvestPro rechtvaardigt. Ook haar persoonlijke ervaringen konden dit niet aannemelijk maken.
Daarnaast stelde eiseres dat overdracht aan Frankrijk onevenredig hard zou zijn vanwege haar psychische klachten en de steun van haar partner in Nederland. De rechtbank vond dat deze omstandigheden geen bijzondere, individuele gronden vormen om de overdracht te weigeren en dat verweerder voldoende gelegenheid had geboden om haar situatie toe te lichten.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het interstatelijk vertrouwensbeginsel toepaste en dat eiseres onvoldoende concrete aanwijzingen had geleverd voor een uitzonderlijke situatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.47017
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. Y. Yatti),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans)
Procesverloop
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van 25 september 2025 (het bestreden besluit), waarbij verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek van eiseres om een voorlopige voorziening (NL25.47018), op 19 november 2025 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Omar. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Inleiding
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1998 en heeft de Ethiopische nationaliteit. Zij heeft op 29 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland ingediend.
2.1.
Uit onderzoek in EU-VIS is gebleken dat Frankrijk aan eiseres een (Schengen)visum heeft verleend, met een geldigheidsduur van 15 mei 2025 tot 5 juni 2025. Op 16 juli 2025 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiseres over te nemen op grond van artikel 12, tweede of derde lid van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) .Frankrijk heeft dit overnameverzoek op 11 september 2025 aanvaard op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland te behandelen.
Het oordeel van de rechtbank
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. Eiseres voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Volgens eiseres is er in Frankrijk sprake van systeemfouten in het opvangsysteem. Zij verwijst in dit verband naar het AIDA-rapport ‘Country Report: France, 2024 Update’ van juni 2025, p. 122-125, en stelt dat zij in Frankrijk heeft geprobeerd opvang en hulp te krijgen, maar dat dit niet is gelukt. Vanwege de omvang van de opvangproblemen is klagen bij de Franse autoriteiten volgens eiseres niet kansrijk, waarbij zij ook verwijst naar het arrest van het EHRM van 8 december 2022, in de zaak M.K. e.a. tegen Frankrijk, EHRM:ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918.
Ter zitting heeft eiseres nog gesteld dat zij vanwege haar psychische situatie als bijzonder kwetsbaar moet worden aangemerkt als bedoeld in het arrest Tarakhel van 4 november 2014, ECLl:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan
4.2.
Dit betekent dat verweerder in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Frankrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over haar eigen ervaringen ten aanzien van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk.
Niet elke tekortkoming in het asiel- en opvangsysteem van de verantwoordelijke lidstaat levert een schending van artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM op. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218). Maar ook als er niet ernstig hoeft te worden gevreesd voor systeemfouten in het asiel- en opvangsysteem in de verantwoordelijk lidstaat, geldt dat een vreemdeling slechts kan worden overgedragen als die overdracht geen reëel risico op schending van artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM met zich brengt (zie punt 87 van het arrest Jawo).
4.3.
Eiseres stelt dat ten aanzien van Frankrijk niet meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er in Frankrijk sprake is van tekortkomingen in het opvangsysteem. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
4.4.
Eiseres heeft ter ondersteuning van haar standpunt verwezen naar het AIDA-rapport ‘Country Report: France, 2024 Update’ van juni 2025 (hierna: AIDA-rapport 2024). In de hiervoor genoemde uitspraak van 31 juli 2025 heeft de Afdeling dit AIDA-rapport beoordeeld en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst van de opvangsituatie voor asielzoekers in Frankrijk dan de eerdere AIDA-rapporten. Daarmee impliceert de Afdeling dat uit het AIDA-rapport 2024 niet blijkt dat er in het opvangsysteem in Frankrijk sprake is van tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen dan de Afdeling. Uit het AIDA-rapport 2024 blijkt inderdaad dat Frankrijk te maken heeft met capaciteitsproblemen in het opvangsysteem voor alle asielzoekers, dus ook terugkerende Dublinclaimanten. Dit stond ook al in de eerdere AIDA-rapporten over Frankrijk. Dit maakt dat moet worden geoordeeld, zoals eiseres terecht heeft gesteld, dat de opvangproblemen in Frankrijk inmiddels een structureel karakter hebben. Maar uit het AIDA-rapport 2024 en de eerdere AIDA-rapporten kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat de opvangproblemen in Frankrijk, naast structureel, ook zodanig ernstig zijn dat de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, zoals bedoeld in het arrest Jawo, wordt gehaald. Voor een dergelijke conclusie bevat het AIDA-rapport 2024 te weinig concrete gegevens, bijvoorbeeld over het daadwerkelijk aantal asielzoekers dat ongewild geen opvang krijgt, de categorieën asielzoekers die geen opvang krijgen, de (gemiddelde) duur dat zij van opvang verstoken zijn en het eventueel bestaan van alternatieven. De rechtbank merkt in dit verband op dat de op pagina 122 van het AIDA-rapport 2024 weergegeven verhouding tussen het aantal opgevangen asielzoekers en het aantal ingediende asielaanvragen geen getrouw beeld geeft van het aantal asielzoekers dat ongewild geen opvang krijgt, omdat er ook asielzoekers zijn die geen opvang van overheidswege willen/nodig hebben of die wel een asielaanvraag hebben ingediend maar vervolgens zijn vertrokken. Verder blijkt uit (de door eiseres aangehaalde passages in) het AIDA-rapport 2024 niet dat klagen over het niet krijgen van opvang bij de Franse (desnoods hogere) autoriteiten en/of de Franse rechter in het algemeen onmogelijk of niet effectief is. Uit het vorenstaande volgt dat het AIDA-rapport 2024 geen concrete aanwijzingen bevat dat terugkerende Dublinclaimanten in Frankrijk structureel en in groten getale langdurig van opvang verstoken blijven. Eiseres heeft met haar verwijzing naar het AIDA-rapport 2024 dan ook niet aannemelijk gemaakt dat Dubliclaimanten bij overdracht aan Frankrijk vanwege de opvangsituatie aldaar in het algemeen een reëel risico lopen om in een met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige situatie terecht te komen.
4.5.
Dit heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank ook niet aannemelijk gemaakt met haar verklaringen over wat zij zelf in Frankrijk heeft ervaren. Eiseres heeft in Frankrijk namelijk geen asielaanvraag ingediend en heeft daarom geen persoonlijke ervaringen met het Franse asiel- en opvangsysteem. Ook is zij nooit eerder als Dublinclaimant overgedragen aan Frankrijk, zodat zij ook op dit vlak geen eigen ervaringen heeft. Bovendien heeft zij tijdens het Dublingehoor verklaard dat zij maar heel kort in Frankrijk is geweest en dat zij zich in die periode niet tot de Franse autoriteiten heeft gewend (voor opvang/hulp).
4.6.
Ten aanzien van de stelling van eiseres dat zij bijzonder kwetsbaar is als bedoeld in het arrest Tarakhel overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres stelt dat zij traumagerelateerde psychische klachten heeft. Zij heeft dit echter niet met medische stukken – de (zelf) ingevulde IMMO-signaleringslijst kan niet als zodanig worden aangemerkt – onderbouwd. Desondanks wil de rechtbank aannemen, mede op basis van de waarnemingen ter zitting, dat eiseres een kwetsbare vrouw is. Maar bij gebreke van (medische) stukken over de psychische situatie kan niet worden aangenomen dat eiseres ook als bijzonder kwetsbaar als bedoeld in het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Zonder stukken kan immers niet worden vastgesteld dat eiseres niet zelfredzaam is en/of (nagenoeg) volledig hulpbehoevend is en niet in staat is om hulp in te schakelen van de autoriteiten, mocht dat nodig zijn. Verder overweegt de rechtbank dat eiseres geen concrete aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt waaruit blijkt dat kwetsbare Dublinclaimanten in het algemeen en zij als kwetsbare vrouw in het bijzonder bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico lopen/loopt om in een met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige situatie terecht te komen. Uit het AIDA-rapport 2024, waarnaar eiseres heeft verwezen, blijkt niet dat kwetsbare Dublinclaimanten een verhoogd risico lopen om van opvang verstoken te blijven. Integendeel, uit dat rapport (p. 113) volgt dat kwetsbaren prioriteit krijgen in de opvang. Verweerder heeft er daarnaast terecht op gewezen dat er op grond van artikelen 31 en 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van algemene en (indien eiseres hiervoor toestemming geeft) medische gegevens van eiseres kan plaatsvinden tussen Nederland en Frankrijk. De autoriteiten van Frankrijk worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften geïnformeerd, zodat zij daar bij aankomst van eiseres in Frankrijk rekening mee kunnen houden.
4.7.
Uit wat er hiervoor, onder 4.4. tot en met 4.6, is overwogen volgt dat eiseres niet met landeninformatie dan wel haar verklaringen aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk vanwege de opvangsituatie aldaar een reëel risico loopt om in een met artikel 4 vanPro het Handvest en artikel 3 vanPro het EVRM strijdige situatie terecht te komen.
4.8.
Voorts overweegt de rechtbank dat als eiseres zich na overdracht aan Frankrijk, onverhoopt, toch geconfronteerd zou zien met problemen (bij toegang tot de opvang), zij zich hierover dient te beklagen bij de Franse (desnoods hogere/rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Eiseres heeft niet met landeninformatie of aan de hand van haar eigen ervaringen aannemelijk gemaakt dat klagen in Frankrijk voor asielzoekers onmogelijk of niet effectief is. Dit blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit het door eiseres genoemde arrest M.K. tegen Frankrijk.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat de Franse autoriteiten hun internationale verplichtingen ten aanzien van eiseres nakomen, en dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die erop wijzen dat bij haar overdracht aan Frankrijk het tegendeel het geval zal zijn en dat zij een reëel risico loopt om in Frankrijk in een met artikel 3 vanPro het EVRM en artikel 4 vanPro het Handvest strijdige situatie terecht te komen. Verweerder heeft dan ook terecht gesteld dat hij niet op grond van artikel 3, tweede lid, derde alinea, van de Dublinverordening verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres, en heeft ook geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, eerste gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) aan zich te trekken. Het onder 4. weergegeven betoog van eiseres slaagt dus niet.
Onevenredige hardheid
5. Eiseres voert aan dat haar overdracht aan Frankrijk onevenredig hard is. Door alles wat zij in Ethiopië heeft meegemaakt, heeft zij te kampen met traumagerelateerde psychische klachten. Van haar partner, met wie zij onlangs religieus is gehuwd en die onlangs een inwilligend asielbesluit heeft ontvangen, ontvangt zij veel emotionele en praktische steun. Als zij wordt overgedragen aan Frankrijk, wordt zij gescheiden van haar partner en valt zijn steun aan haar weg, wat zal leiden tot een verergering van haar psychische klachten, zo stelt eiseres.
5.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. In paragraaf C2/5 van de Vc staat verder dat verweerder terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 vanPro de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van de Dublinverordening niet verplicht is.
5.2.
Hoewel de wens van eiseres om bij haar partner in Nederland te blijven begrijpelijk is, heeft verweerder de relatie tussen eiseres en haar partner niet aan hoeven merken als een bijzondere, individuele omstandigheid die maakt dat overdracht van eiseres aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Dublinverordening op zichzelf niet is bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een familie- of gezinslid in Nederland kan worden verkregen (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 1 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:74, en 8 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1765) en dat in artikelen 8, 9, 10, 11 en 16 van de Dublinverordening de mogelijkheden voor het bijeenhouden en -brengen van het gezin in de asielprocedure zijn uitgewerkt. De situatie van eiseres valt niet onder één van die bepalingen. Eiseres heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat haar relatie met haar partner in Nederland wordt gekenmerkt door een uitzonderlijk feitencomplex dat door de Uniewetgever bij de totstandkoming van voormelde bepalingen in de Dublinverordening niet is voorzien. In ieder geval heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij zich zonder haar partner niet staande kan houden en teloor zal gaan. Ook heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat haar psychische klachten bij overdracht aan Frankrijk door de afwezigheid van haar partner (ernstig) zullen toenemen. Het standpunt van eiseres dat verweerder haar meer gelegenheid had moeten bieden om haar psychische toestand, gezinsband en ondersteuning met documenten te onderbouwen dan wel dat verweerder daar nader onderzoek naar had moeten doen, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft op 3 juli 2025 een Dublingehoor met eiseres gehouden, waarin eiseres de mogelijkheid is geboden om te vertellen waarom zij niet moet worden overgedragen aan Frankrijk, en daarna was er voldoende tijd en gelegenheid voor eiseres om onderbouwende stukken te verzamelen en in te brengen; het bestreden besluit is immers ruim 2,5 maand na het Dublingehoor genomen.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder in de relatie tussen eiseres en haar partner in Nederland geen grond hoeven zien om de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vc. Ook in de psychische toestand van eiseres heeft verweerder geen grond daarvoor hoeven zien. Eiseres heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat het om medische redenen noodzakelijk of aangewezen is dat zij voor haar klachten in Nederland wordt onderzocht of behandeld. Verder kan verweerder er gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van uitgaan dat in Frankrijk dezelfde medische zorg en behandelingen aanwezig zijn als in Nederland. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval is.
Het onder 5. weergegeven betoog slaagt gezien het voorgaande niet.
Conclusie en gevolgen
6. Nu geen van de beroepsgronden slaagt, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dommerholt, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.