ECLI:NL:RBDHA:2025:26071

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
AWB 25/8329
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag mvv op basis van artikel 8 EVRM en beoordeling van emotionele banden

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 10 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) behandeld. Eiser, geboren in 1996 en van Iraanse nationaliteit, had de aanvraag ingediend om bij zijn tante in Nederland te kunnen verblijven, met als grondslag artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), dat het recht op respect voor privé- en gezinsleven waarborgt. De minister van Asiel en Migratie had de aanvraag afgewezen, omdat er volgens hem geen sprake was van een beschermenswaardig familieleven. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en voerde verschillende beroepsgronden aan.

De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de door eiser aangevoerde gronden. De rechtbank concludeert dat er geen emotionele banden zijn die het gangbare overstijgen, zoals vereist is voor de erkenning van een familie- of gezinsleven onder artikel 8 EVRM. De minister had terecht geen belangenafweging hoeven maken, omdat er geen familie- of gezinsleven is vastgesteld. De rechtbank wijst erop dat de relatie tussen eiser en zijn tante niet meer dan gebruikelijk is en dat de door eiser gestelde afhankelijkheid niet voldoende is onderbouwd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiser geen griffierecht terugkrijgt en ook geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 25/8329
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W. IJland),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een mvv [1] . Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij [persoon 1] (referente) op grond van artikel 8 van het EVRM [2] . De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 6 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 maart 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser, M. Gholami als tolk in de taal Farsi en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedag] 1996 en heeft de Iraanse nationaliteit. Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend voor het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn tante (referente).
3.2.
De minister is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven omdat er geen sprake is van beschermenswaardig familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister is de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente niet aannemelijk gemaakt. De door eiser overgelegde documenten zijn daarvoor onvoldoende. Eiser krijgt op dit punt weliswaar het voordeel van de twijfel maar de minister heeft ten aanzien van de familierechtelijke relatie geen nader onderzoek aangeboden omdat eiser niet voldoet aan de overige voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag. Er is volgens de minister namelijk geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente. Verder heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 27 maart 2024 [3] geen belangenafweging gemaakt.
Emotionele banden die het gangbare overstijgen
4.1.
Eiser voert aan dat de minister artikel 8 van het EVRM onjuist heeft toegepast. De minister miskent "de bijkomende elementen van afhankelijkheid" tussen eiser en
referente door te stellen dat het hier om een gebruikelijke emotionele band tussen tante
en neef gaat. De ziekte van referente kan volgens de minister worden opgevangen met reguliere zorgverlening in Nederland. Uit de medische situatie van referente, te weten een gediagnosticeerde vorm van de ziekte van Kahler, volgt echter dat zij in het dagelijks leven afhankelijk is van persoonlijke ondersteuning. De minister stelt weliswaar dat professionele zorg volstaat, maar miskent daarmee dat de afhankelijkheid juist in het relationele vlak met eiser ligt: er is sprake van een langdurige, op vertrouwen gebaseerde zorgrelatie, die niet op afstand kan worden gerealiseerd. Eiser heeft referente in het verleden langdurig verzorgd en is bereid die zorg weer op zich te nemen. De aard van de band tussen eiser en referente overstijgt daarmee de gebruikelijke affectieve band tussen tante en neef.
4.2.
Uit rechtspraak van het EHRM [4] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige familieleden voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [5] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar de bijkomende elementen van afhankelijkheid (‘additional elements of dependancy’). [6] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [7] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
4.3.
De vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie toetst de rechtbank – anders dan de Afdeling – vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025 [8] en 23 juli 2025 [9] .
4.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en referente vanaf 1996 tot 2014 hebben samengewoond. Deze samenwoning was tijdens de minderjarigheid van eiser. In 2016 is eiser samen met zijn moeder naar Turkije vertrokken. Referente heeft op de zitting toegelicht dat eiser tijdens zijn studie van 2014 tot 2016 niet bij haar, maar bij zijn moeder woonde, dat was namelijk dichterbij de universiteit in Teheran. Referente had wel regelmatig contact met eiser in die periode. Dit betekent dat eiser en referente al sinds 2014, ruim voor eisers vertrek naar Turkije, niet meer samenwonen. Dat er geen sprake is van financiële afhankelijkheid tussen eiser en referente is verder niet in geschil.
4.5.
Ook heeft eiser gewezen op de medische situatie van referente. Niet ter discussie staat dat referente de ziekte van Kahler heeft. Deze ziekte heeft ertoe geleid dat referente hulp nodig heeft met de dagelijkse praktische taken zoals medicatie innemen, het aan- en uitkleden, de was doen, de woning schoonmaken en haar zelfverzorging. Tijdens de hoorzitting heeft referente verklaard dat zij geen zorg of ondersteuning ontvangt omdat zij zich daar niet goed bij voelt. Volgens referente is eiser bereid de mantelzorg op zich te nemen omdat sprake is van een langdurige, op vertrouwen gebaseerde zorgrelatie en eiser referente in het verleden langdurig heeft verzorgd. De rechtbank is met de minister van oordeel dat er geen sprake is van een dusdanige medische afhankelijkheid van referente van eiser, die rechtvaardigt dat hun emotionele banden het gangbare overstijgen. Ook al is de wens van eiser om referente in Nederland te verzorgen begrijpelijk. De rechtbank betrekt hierbij dat de gestelde langdurige op vertrouwen gebaseerde zorgrelatie tussen hen, niet (met stukken) is onderbouwd en ook niet aannemelijk is gemaakt dat eiser referente in het verleden heeft verzorgd. Daarnaast overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser, naast het telefonische contact, de voor referent benodigde zorg organiseert. Referente heeft immers zelf naar voren gebracht dat zij op dit moment geen zorg ontvangt.
4.6.
Referente voert ook aan dat sprake is van (wederzijdse) emotionele afhankelijkheid. Eiser is als een zoon voor haar. Eiser geeft referente hoop en warmte en ondersteunt haar emotioneel. Op de zitting heeft referente toegelicht dat de overkomst van eiser naar Nederland haar minder stress zou opleveren waardoor zij beter zou kunnen herstellen van haar ziekte. Hoewel het invoelbaar is dat eiser referente zowel mentaal als fysiek wil ondersteunen, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie.
4.7.
Verder heeft de minister in het bestreden besluit de banden met het land van herkomst betrokken. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat zowel de huidige situatie van eiser in Turkije zonder verblijfsrecht, als de gestelde onveilige omstandigheden in Iran, niets zeggen over de emotionele banden tussen neef en tante. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen eiser en referente geen sprake is van emotionele banden die het gangbare overstijgen. Om die reden is geen sprake van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.
5. Tot slot heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen afzien van het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM omdat er geen familie- en gezinsleven is tussen hem en referente. De minister heeft terecht naar de uitspraak van 27 maart 2024 van de Afdeling [10] verwezen waaruit volgt dat er geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt als er geen familie- en gezinsleven wordt aangenomen.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Doets, rechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele vrijheden.
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
5.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
7.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.