ECLI:NL:RBDHA:2025:26229
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden wegens ontbreken vrijstelling mvv-vereiste
Eiser, geboren in Nederland en met de Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden. Hij was als kind tegen zijn wil naar Marokko vertrokken en keerde in 2018 terug naar Nederland. Zijn aanvraag werd afgewezen omdat hij niet beschikte over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en geen vrijstelling van dit vereiste kon worden verleend. Medische omstandigheden, waaronder een behandeling voor PTSS, werden niet tijdig onderbouwd, waardoor geen advies van het Bureau Medisch Advies (BMA) werd ingewonnen.
Eiser voerde aan dat hij afhankelijk is van zijn broer en dat het vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en de hardheidsclausule. De rechtbank oordeelde dat er geen sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro tussen eiser en zijn broers en zussen, omdat geen bijkomende afhankelijkheid is aangetoond. De belangenafweging ten aanzien van het privéleven van eiser in Nederland weegt niet zwaarder dan het belang van Nederland bij het mvv-vereiste. De medische omstandigheden konden niet worden meegewogen omdat de behandeling pas na het bestreden besluit was gestart.
De rechtbank concludeert dat verweerder terecht geen vrijstelling van het mvv-vereiste heeft verleend en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard. Eiser krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag op 25 november 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning op niet-tijdelijke humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een vrijstelling van het mvv-vereiste.