Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:26843

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
25.52058
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 28 lid 3 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013Art. 8:42 Algemene wet bestuursrechtArt. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortvarendheid en rechtmatigheid bewaring vreemdeling in het kader van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend had gewerkt aan zijn overdracht aan Duitsland en dat de informatieplicht niet werd nageleefd, wat zou leiden tot schending van het fair trial-beginsel.

De rechtbank constateerde dat de minister de stukken tijdig in het digitale dossier had geplaatst, met uitzondering van een aanbiedingsbrief die later mocht worden toegevoegd. De gronden voor de bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en het ontbreken van een vaste verblijfplaats, werden niet betwist door eiser. De rechtbank vond deze gronden voldoende om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen.

Ten aanzien van de voortvarendheid stelde de rechtbank vast dat de minister vanaf de inbewaringstelling op 22 oktober 2025 snel handelde, met een vertrekgesprek op 24 oktober en een overdrachtsaanvraag op 28 oktober. De periode van bewaring voorafgaand aan de overdracht werd niet onnodig lang geacht, mede vanwege afhankelijkheid van Duitse autoriteiten en medische toestemmingsverklaring.

De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om schadevergoeding en oordeelde dat de bewaring rechtmatig was. De verwijzing naar een andere zaak met een eerdere overdracht kon niet baten omdat elke zaak op individuele omstandigheden wordt beoordeeld.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52058

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 november 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen O. Sennani (24061). De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Informatieplicht
1. Eiser stelt zich allereerst - samengevat - op het standpunt dat de minister stelselmatig de informatieplicht als bedoeld in artikel 8:42 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schendt omdat hij er vaak niet in slaagt tijdig een volledig dossier aan te leveren. Deze werkwijze levert een schending van het beginsel van
fair trialop. [1] Eiser wijst ook op artikel 8.4 van het Procesreglement bestuursrecht waaruit volgt dat de op de zaak betrekking hebbende stukken tijdig overlegd dienen te worden. Zoals voorafgaand aan de zitting medegedeeld aan partijen is dat uiterlijk op de derde werkdag voor de zitting, dus hier uiterlijk op woensdag 29 oktober 2025. Het komt echter geregeld voor dat de minister na deze termijn nog stukken toevoegt aan het dossier. Dit kan worden opgelost indien de procesvertegenwoordiger van de minister eerder op een dossier wordt gezet en daardoor niet in tijdnood komt.
2. De rechtbank stelt vast dat ter zitting is gebleken dat niet in geschil is dat de minister in onderhavige zaak de stukken tijdig aan het digitale dossier heeft toegevoegd. Alle stukken, met uitzondering van de aanbiedingsbrief van 30 oktober 2025, zaten op woensdag 29 oktober 2025 namelijk in het dossier. Ten aanzien van de aanbiedingsbrief kan de minister niet worden verweten dat dit stuk later is toegevoegd, aangezien dit stuk bedoeld is om mee te delen wat recentelijk nog is gebeurd. Ook eiser heeft daarover ter zitting gesteld dat dit stuk later mocht worden toegevoegd. Hoewel eiser op zichzelf terecht stelt dat van partijen verwacht wordt dat zij tijdig de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het dossier toevoegen, ziet de rechtbank in het onderhavige dossier hierdoor geen aanknopingspunten voor de conclusie dat aan deze verwachting niet voldaan is. De beroepsgrond slaagt dus niet.
De zware en lichte gronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als
zware grondenvermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als
lichte grondenvermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de (feitelijke) gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. Evenmin heeft eiser het significant risico op onttrekking aan het toezicht, dat uit deze gronden volgt, bestreden. Ook naar het ambtshalve oordeel [2] van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Voortvarendheid
5. Eiser voert aan dat de minister gedurende de inbewaringstelling onvoldoende voortvarend heeft gewerkt aan zijn overdracht. Een geplande inbewaringstelling is een bijzondere omstandigheid, bedoeld om bepaalde handelingen ter voorbereiding van de uitzetting of overdracht van een vreemdeling sneller te verrichten of achterwege te laten. [3] Van de minister mag dan ook worden verwacht dat hij zo snel als redelijkerwijs mogelijk handelt vanaf het moment van de inbewaringstelling op 22 oktober 2025. [4] Daarbij merkt eiser op dat de zevende dag na inbewaringstelling niet ‘heilig’ is en dat onder omstandigheden een kortere periode geldt waarbinnen een eerste uitzettingshandeling als voldoende voortvarend kan worden aangemerkt. [5] In eisers geval wist de minister op het moment van inbewaringstelling al dat overdracht aan Duitsland geen probleem zou zijn. Daarnaast vereisen de Duitse autoriteiten enkel een aankondiging van de overdracht en hoeft er niets te worden aangevraagd. Het is dan ook onduidelijk waarom eiser reeds twaalf dagen voor de overdracht in bewaring is gesteld. Ook bevinden de aanvraag en de aankondiging zich ten onrechte niet in het dossier. Eiser verwijst verder naar een zaak van een vreemdeling die net als eiser op 22 oktober 2025 in bewaring is gesteld en moest worden overgedragen aan Duitsland en waarvan het beroep op dezelfde dag wordt behandeld door deze rechtbank en zittingsplaats. In die zaak is de vreemdeling reeds op 30 oktober 2025 overgedragen aan Duitsland. Niet valt in te zien waarom deze vreemdeling eerder is overgedragen dan eiser.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gewerkt aan de overdracht van eiser. De rechtbank benadrukt daarbij dat zij dient te beoordelen of de minister voldoende voortvarend werkte aan de uitzetting van eiser en niet of de minister (nog) voortvarender had kunnen handelen. Uit het dossier blijkt dat eiser op 22 oktober 2025 in bewaring is gesteld. Vervolgens heeft op 24 oktober 2025 de eerste daadwerkelijke overdrachtshandeling plaatsgevonden, zijnde een vertrekgesprek. In dit gesprek is met eiser besproken dat hij zal worden overgedragen aan Duitsland. Ook heeft eiser tijdens het gesprek een medische toestemmingsverklaring getekend. Vervolgens is op 28 oktober 2025 een overdracht voor eiser aangevraagd. Ter zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat op die dag de overdracht is ingepland en aangekondigd. Dat het zou gaan om een aanvraag klopt niet en betreft een standaardzin. De omstandigheid dat de aanvraag en aankondiging van de overdracht zich niet in het dossier bevinden, leidt niet tot onrechtmatigheid, omdat de rechtbank in deze zaak geen aanleiding ziet om aan de gestelde gang van zaken te twijfelen. Op 28 oktober 2025 zijn verder ook de overdrachtsgegevens bekend geworden, te weten een grensovergang op 3 november 2025 om 16.00 uur. Gezien het voorgaande is ook niet gebleken dat de periode dat eiser in bewaring is gesteld voorafgaand aan de overdracht hier onnodig lang zou zijn. De minister is namelijk afhankelijk van de Duitse autoriteiten en ook de voorbereiding van de overdracht zelf vergt tijd. Zeker nu er sprake is van een medische toestemmingsverklaring. De verwijzing van eiser naar de zaak van een andere vreemdeling die eerder is overgedragen naar Duitsland, kan eiser niet baten. Elke zaak moet namelijk op zijn individuele omstandigheden worden beoordeeld, zoals hiervoor weergegeven, waardoor (het inplannen van) de overdracht en de daarmee samenhangende periode van bewaring kan verschillen. In deze gang van zaken ziet de rechtbank geen overschrijding van de redelijkerwijs noodzakelijke termijn als bedoeld in artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening. [6]
Conclusie
7. De beroepsgronden van eiser slagen niet en kunnen dan ook niet leiden tot het oordeel dat de bewaring onrechtmatig is te achten. Voor zover de rechtmatigheid van de bewaring aan het ambtshalve oordeel van de rechtbank is onderworpen, ziet de rechtbank evenmin grond om de bewaring onrechtmatig te achten.
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.B.H. Hebbink, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 10 november 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
2.ECLI:EU:C:2022:858.
3.Eiser wijst op de Afdelingsuitspraken van 26 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK2265, van 24 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3597 en van 6 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1855.
4.Eiser wijst op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 september 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:8480.
5.De Afdelingsuitspraak van 23 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:352, r.o. 2.2.
6.Verordening (EU) nr. 604/2013.