ECLI:NL:RVS:2014:3597
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in bewaring gesteld zonder voldoende voortvarendheid bij overdracht
De vreemdeling werd op 4 augustus 2014 in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op overdracht aan Duitsland. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de overdracht, aangezien de medische toestemmingsverklaring pas acht dagen na de inbewaringstelling werd ondertekend, terwijl er al sinds 17 juni 2014 een claimakkoord bestond en de medische situatie bekend was. Dit leidde tot een onnodige verlenging van de bewaring.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot onmiddellijke vrijlating gegeven. De vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van bewaring en proceskosten werden aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een vergoeding toegekend wegens onvoldoende voortvarendheid bij overdracht.