ECLI:NL:RBDHA:2025:27155

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/4380
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar kosten wegslepen en vernietigen boot bevestigd

Eiser was eigenaar van een woonboot en een kleinere boot die in gebrekkige staat verkeerde. Verweerder legde een last onder bestuursdwang op en verwijderde de boot, waarna eiser de kosten moest betalen. Eiser diende bezwaar in, maar te laat. Verweerder verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.

Eiser voerde aan dat hij zijn BRP-adres niet kon wijzigen vanwege eigendom van de woonboot en detentie, en dat verweerder de post had kunnen sturen naar de penitentiaire inrichting. Ook stelde hij dat verweerder geen individuele belangenafweging had gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat eiser verantwoordelijk was voor het tijdig doorgeven van adreswijzigingen en het treffen van postverzorging. Er waren geen bijzondere omstandigheden die de termijnoverschrijding verschoonbaar maakten. Een belangenafweging was niet mogelijk na vaststelling van niet-tijdige indiening.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskosten af, en gaf geen voorlopig oordeel over een lopende herzieningsprocedure. Het vonnis werd uitgesproken op 26 november 2025.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens niet-ontvankelijkheid van het bezwaar wegens niet-tijdige indiening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 25/4380

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 november 2025 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. R. Verspaandonk),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. D. van der Klaauw).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaarschrift.
1.1.
Verweerder heeft bij besluit van 17 mei 2024 besloten dat eiser de kosten van het wegslepen en vernietigen van zijn boot moet betalen (het primaire besluit). Daartegen heeft eiser bezwaar gemaakt. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 28 mei 2025 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser was ten tijde van belang eigenaar van een woonboot. Naast deze woonboot had hij nog een kleinere boot aan de kade liggen. Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft verweerder aan eiser een last onder bestuursdwang opgelegd omdat deze boot in een gebrekkige staat verkeerde. Eiser heeft twee dagen gekregen om de boot te herstellen dan wel te verwijderen. Op 15 maart 2024 heeft verweerder de boot uit het water verwijderd. De kosten hiervan – te weten € 4042,01,- – moeten volgens verweerder door eiser betaald worden. Het bezwaar daartegen is op 7 april 2025 door verweerder ontvangen. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser niet binnen de gestelde termijn bezwaar heeft ingediend. Volgens verweerder is er geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiser kon de inschrijving van zijn BRP [1] -adres niet wijzigen, nu eiser zijn woonboot in eigendom heeft en er dus geen sprake is van een huursituatie waarin de huurovereenkomst zou kunnen of moeten worden opgezegd. Verandering van het BRP-adres in dit geval zou problemen opleveren, onder meer met belastingen en de hypotheekverstrekker. Eiser kon de post ook niet naar de penitentiaire inrichting (PI) doorsturen, nu de doorzendservice van PostNL alleen doorzendt naar een adres en niet naar een postbus zoals de PI dat heeft. Daar komt bij dat verweerder wist dat eiser in de PI zat, waardoor verweerder de post ook daarheen had kunnen zenden. Ook stelt eiser – met verwijzing naar een uitspraak van de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [2] – dat er in zijn geval ten onrechte geen op het individueel geval gerichte en contextuele afweging is gemaakt. Daarbij wijst eiser erop dat verweerder niet wordt benadeeld bij het alsnog in behandeling nemen van zijn bezwaar, terwijl eiser wel een zwaar belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over zijn bezwaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank beoordeelt of verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
5. Allereerst is belangrijk dat tussen partijen niet ter discussie staat dat eiser niet binnen de gestelde termijn zijn bezwaarschrift heeft ingediend. Ter discussie staat of de termijn verschoonbaar is overschreden. Met verweerder volgt de rechtbank dat het de verantwoordelijkheid is van eiser is om een adreswijziging door te geven dan wel om bij langdurige afwezigheid, zoals detentie, passende en toereikende maatregelen te treffen voor de verzorging van de post, waardoor hij of een door hem aangewezen persoon tijdig kennis neemt van relevante informatie, zoals in dit geval het bestreden besluit. [3] Dat eiser dit niet heeft gedaan komt voor zijn rekening en risico. Van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in de uitspraak van het CBb is, zoals verweerder ter zitting terecht heeft betoogd, in deze zaak geen sprake. Voor zover eiser – met een verwijzing naar de uitspraak van het CBb – betoogt dat verweerder een belangenafweging had moeten maken, volgt de rechtbank dit niet. Uit de door eiser aangehaalde uitspraak volgt dat als eenmaal is vastgesteld dat het bezwaar- of beroepschrift niet tijdig is ingediend en vervolgens wordt geoordeeld dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is, het rechtsmiddel niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Een belangenafweging is niet mogelijk. Dat betekent onder meer dat de belangen die met het materiële geschil zijn gemoeid, bij de beoordeling niet relevant zijn. [4]
5.1.
Ter zitting doet eiser nog een beroep op de herzieningsprocedure die hij heeft gestart en heeft hij de rechtbank gevraagd om hier een voorlopig oordeel over te geven. Op de zitting is gebleken dat onduidelijk is wat de status van deze procedure is. Duidelijk is wel dat er geen rechtsmiddel loopt in die procedure. Dit maakt reeds dat de rechtbank geen voorschot kan nemen op de uitkomst van een eventuele toekomstige procedure.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk mocht verklaren. Daarmee is het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Basisregistratie Personen.
2.Uitspraak van de grote kamer van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.
3.Zie onder meer uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1862 en 22 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2391.
4.Uitspraak van de grote kamer van het CBb van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31, rechtsoverweging 2.2.