ECLI:NL:RBDHA:2025:27163

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
SGR AWB 25/1158 (beroep 1) en SGR AWB 25/1237 (beroep 2)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 4:17 AwbKamerbrief 11 oktober 2021Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek overbrenging uit Afghanistan op grond van Speciale Voorziening en Tolkenregeling

Eiser, voormalig bewaker voor EUPOL in Kabul, verzocht om overbrenging naar Nederland voor zichzelf en zijn gezin op grond van de Speciale Voorziening en de Tolkenregeling. Beide aanvragen werden door verweerder afgewezen omdat eiser niet voldeed aan de vereisten, met name het ontbreken van substantiële werkzaamheden voor een Nederlandse functionaris.

De rechtbank oordeelt dat het beleid van de Speciale Voorziening en Tolkenregeling buitenwettelijk en begunstigend is, waarbij het kabinet ruime beleidsruimte heeft. Eiser slaagt er niet in aan te tonen dat hij aan de cumulatieve criteria voldoet, waaronder het werken voor een Nederlandse functionaris gedurende een substantiële periode.

Verder wordt geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel niet leidt tot een ander oordeel en dat de hoorplicht niet is geschonden. Wel is verweerder veroordeeld in de proceskosten wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiser, aangezien geen hersteltermijn is geboden.

De rechtbank verklaart beroep 1 ongegrond, beroep 2 ongegrond voor zover gericht tegen de afwijzing van overbrenging, maar gegrond voor het niet tijdig beslissen en veroordeelt verweerder tot betaling van €1.814,- aan proceskosten.

Uitkomst: Beroep tegen afwijzing overbrenging ongegrond, beroep tegen niet tijdig beslissen gegrond met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR AWB 25/1158 (beroep 1) en SGR AWB 25/1237 (beroep 2)

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 december 2025 in de zaken tussen

[eiser] (alias: [alias] ), uit Afghanistan, eiser

(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
de minister van Buitenlandse Zaken en de minister Justitie en Veiligheid, hierna tezamen: verweerder
(gemachtigde: mr. M. M. van Asperen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland op grond van de Speciale Voorziening (beroep 1) en zijn beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag om overbrenging naar Nederland van hem en zijn gezin op grond van de Tolkenregeling en het niet-tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaar (beroep 2).
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag op grond van de Speciale Voorziening met het besluit van 9 maart 2023 afgewezen en is met het besluit van 28 januari 2025 bij die afwijzing gebleven (bestreden besluit 1). De aanvraag op grond van de Tolkenregeling is door verweerder met het besluit van 9 juli 2024 afgewezen en verweerder is met het besluit van 11 maart 2025 ook bij die afwijzing gebleven (bestreden besluit 2).
1.3.
Verweerder heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via telefoonverbinding) en zijn gemachtigde. Ook was aanwezig de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. R. Geraedts (ministerie van Buitenlandse Zaken) en mr. M.S. Schutter (ministerie van Justitie en Veiligheid). Als tolk is verschenen W.M. Mamik.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
Beroep 1
2. Bij e-mailbericht van 2 oktober 2021 heeft eiser zich gewend tot de mailbox van het ministerie van Buitenlandse Zaken met het verzoek om samen met zijn gezin overgebracht te worden naar Nederland. Eiser stelt in de periode van 2007 tot 2017 als bewaker voor EUPOL [1] in Kabul te hebben gewerkt. Verweerder heeft deze aanvraag op grond van de Speciale Voorziening, zoals bedoeld in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 [2] , afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten voor overbrenging naar Nederland. Specifiek werpt verweerder eiser tegen dat hij niet heeft onderbouwd dat hij tenminste één jaar in de afgelopen twintig jaar substantiële werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse functionaris van EUPOL.
Beroep 2
3. Bij e-mailberichten van 19 februari 2023 en 19 februari 2024 heeft eiser zich gewend tot de mailbox van het ministerie van Defensie met het verzoek om, samen met zijn gezin, overgebracht te worden naar Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag op grond van de Tolkenregeling [3] afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de vereisten voor overbrenging naar Nederland. Specifiek werpt verweerder eiser ook hier tegen dat hij niet heeft onderbouwd dat hij substantiële werkzaamheden heeft verricht voor een Nederlandse functionaris.
Wat vindt eiser in de beroepen?
4. Eiser is het niet eens met de bestreden besluiten en heeft daarvoor de volgende argumenten. Eiser vindt allereerst dat zowel uit de Speciale Voorziening als uit de Tolkenregeling niet volgt dat een iemand exclusief voor een Nederlandse functionaris gewerkt moet hebben. Daarbij is dat voor EUPOL-medewerkers ook feitelijk niet mogelijk, nu op het hoofdkwartier vele delegaties uit diverse landen werkzaam waren. Deze eis maken de Speciale Voorziening en de Tolkenregeling voor EUPOL-medewerkers zinloos en onevenredig. Alleen van belang is of de werkzaamheden van eiser ten goede zijn gekomen aan Nederland en/of Nederlandse functionarissen, en daar is sprake van, mede omdat ongeveer 20% van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren en eiser naast het bewaken van functionarissen ook hun bezittingen bewaakte. Voor de Tolkenregeling stelt eiser dat hij primair gezien moet worden als hoog profiel medewerker. Subsidiair vindt hij dat uit de Tolkenregeling volgt dat ook andere medewerkers in aanmerking kunnen komen voor overbrenging, als zij maar aannemelijk maken dat ze vanwege hun werkzaamheden gevaar lopen. Verweerder moet dan een individuele beoordeling maken en dat heeft hij in het bestreden besluit niet gedaan. Voor beide aanvragen is van belang dat eiser gevaar loopt vanwege zijn werkzaamheden en daarvoor is niet nodig dat hij publiekelijk zichtbaar was tijdens zijn werk. Verder beroept eiser zich op het gelijkheidsbeginsel en stelt hij dat er ook na de eerste evacuaties nog EUPOL-medewerkers zijn overgebracht, waarvan duidelijk is dat zij nooit specifiek voor een Nederlandse functionaris gewerkt kunnen hebben. Ook vindt eiser dat verweerder verplicht was eiser te horen, nu verweerder in deze zaak veel beleidsruimte heeft. [4] Ten aanzien van beroep 1 stelt eiser nog dat er in het bestreden besluit 1 een geheel nieuwe motivering is gegeven ten opzichte van het eerdere primaire besluit, wat ook een reden voor verweerder had moeten zijn om hem te horen. Voorts meent eiser dat verweerder proceskosten aan hem had moeten toekennen in bezwaar, onder verwijzing naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [5] Verder blijft eiser voor wat betreft beroep 2 bij het standpunt dat verweerder te laat is geweest met het beslissen op zijn bezwaarschrift, wat maakt dat verweerder aan eiser een dwangsom verschuldigd is.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvragen van eiser mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
6. Het beleid en toetsingskader voor overbrenging van personen uit Afghanistan is neergelegd in de Kamerbrief van 11 oktober 2021 (de Kamerbrief). [6] In die brief wordt een speciale voorziening getroffen voor twee afgebakende groepen die, naast personen die ten tijde van de acute evacuatiefase op grond van de motie Belhaj [7] al waren opgeroepen, voor overbrenging naar Nederland in aanmerking komen. Het gaat hierbij onder meer om personen (en hun kerngezinnen) die in de afgelopen twintig jaar hebben gewerkt voor Defensie of EUPOL in Afghanistan in een voor het publiek zichtbare functie. Zij moeten kunnen aantonen dat zij ten minste een jaar structureel substantiële werkzaamheden hebben verricht voor Defensie en/of voor een Nederlandse EUPOL-functionaris. Hun identiteit en Afghaanse nationaliteit moet vast te stellen zijn. In de Kamerbrief staat dat Defensie en Justitie en Veiligheid de criteria zullen toepassen op de nu bij Defensie beschikbare data, waaronder de meldingen van veteranen. Het betreft een afgebakende groep van ongeveer 500 Afghanen (inclusief kerngezinnen) die vóór 11 oktober 2021 een verzoek tot overbrenging hebben ingediend bij het ministerie van Defensie, dan wel bekend zijn door meldingen van bijvoorbeeld veteranen. Deze verzoeken en meldingen zijn door verweerder gebundeld in een database die dient als referentie. Tijdens eerdere zittingen waarin dezelfde rechtsvragen speelden [8] heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat met de “nu bij Defensie beschikbare data”, zoals genoemd in de Kamerbrief, de mailboxen worden bedoeld waarin de verzoeken om overbrenging zijn binnengekomen en niet of eiser in een mogelijk bij het ministerie van Defensie aanwezig ander databestand is opgenomen (geweest).
6.1.
Over de
speciale voorzieningheeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State twee richtinggevende uitspraken gedaan. [9] Geoordeeld is dat het gaat om buitenwettelijk en begunstigend beleid, waarbij het kabinet veel beleidsruimte heeft. Het stond het kabinet daarom vrij om vereisten vast te stellen zodat de groepen waarop de begunstiging van toepassing is duidelijk konden worden afgebakend. [10] Aan personen die buiten dit beleid vallen, wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Als de minister de overkomst van personen die buiten dit beleid vallen niet faciliteert, schendt hij niet hun fundamentele rechten.
6.2.
Voor de
Tolkenregelinggeldt iets soortgelijks. Deze komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Justitie en Veiligheid (voorheen: Veiligheid en Justitie). Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht. [11] Het gaat bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. [12] De bestuursrechter toetst buitenwettelijk beleid aan het evenredigheidsbeginsel als de betrokkene zich daarop beroept. Omdat de beslissingsruimte van het bestuursorgaan bij dit type beleid groot is, leidt dit in beginsel tot een terughoudende toets. [13]
6.3.
Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken aangegeven dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen. [14] De voor dit beroep relevante groep betreft lokale medewerkers (anders dan tolken) die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt en daardoor vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. [15] Dit zijn cumulatieve vereisten. Om na te gaan wie bescherming nodig hebben, is de aard van de werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse EUPOL-functionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien. [16] Deze mededeling van het kabinet is gedaan op het moment dat de evacuaties plaatsvonden. Er is toen inderdaad ruimhartig(er) beslist, maar daarna is de Tolkenregeling weer toegepast zoals deze altijd werd toegepast. Verweerder heeft er in dit verband op gewezen dat er hoe dan ook zorgvuldig moet worden getoetst aan de Tolkenregeling.
6.4.
Voor zowel de Speciale Voorziening als de Tolkenregeling geldt dus als een van de cumulatieve vereisten dat iemand moet hebben gewerkt voor de Nederlandse missie of een Nederlandse functionaris.
6.5.
Eiser heeft in 2007 tot 2017 bewakingswerkzaamheden verricht voor EUPOL in Kabul. De rechtbank overweegt allereerst dat, anders dan eiser stelt, het geen vereiste is dat iemand exclusief voor een Nederlandse functionaris moet hebben gewerkt. Wel moet er sprake zijn van werkzaamheden voor een Nederlandse EUPOL-functionaris voor een substantiële periode. Daarvan is in onderhavige zaak niet gebleken. Dat een groot deel van de EUPOL-functionarissen Nederlanders waren maakt het voorgaande niet anders. De hoogste bestuursrechter heeft namelijk overwogen dat het niet voldoende is dat de werkzaamheden ten goede zijn gekomen aan Nederlanders die voor EUPOL hebben gewerkt. [17]
6.6.
Nu uit het voorgaande volgt dat eiser geen werkzaamheden heeft verricht voor een bepaalde Nederlandse EUPOL-functionaris, heeft verweerder alleen al op grond daarvan kunnen concluderen dat eiser niet valt onder de Speciale Voorziening en/of de Tolkenregeling. Verweerder mocht de verzoeken om overbrenging dan ook afwijzen. De vraag of eiser op dit moment gevaar loopt, hoeft gelet op de cumulatieve vereisten die gelden geen bespreking.
6.7.
Zoals hiervoor is overwogen, gaat het bij zowel de Speciale Voorziening als de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid. Diegenen die daarbuiten vallen wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben. Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. [18] Daarbij is niet is gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het beleid in dit concrete geval zodanig onevenredig uitpakt dat verweerder de komst van eiser naar Nederland alsnog had moeten faciliteren
.
7. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder worden gevolgd in het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel niet zo ver gaat dat ten aanzien van feitelijke beslissingen die in de eerste hectische evacuatiefase zijn genomen, na de evacuatiefase nog een beroep zou kunnen worden gedaan in het kader van het gelijkheidsbeginsel. Nu de context niet gelijk is, is daarmee ook geen sprake van gelijke gevallen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. De rechtbank is van oordeel dat de hoorplicht in de bezwaarfase niet is geschonden. Verweerder heeft op basis van het bezwaarschrift buiten redelijke twijfel kunnen concluderen dat eiser niet voldoet aan de criteria van de Speciale Voorziening en de Tolkenregeling. Specifiek ten aanzien van beroep 1 is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de nadere motivering in het bestreden besluit het gevolg is van de ingediende bezwaargronden. Deze nadere motivering is geen reden om eiser alsnog te horen, ook nu het bestreden besluit voor wat betreft de uitkomst niet verschilt met het eerste besluit.
9. Ten aanzien van het standpunt van eiser in beroep 1 over het toekennen van proceskosten in bezwaar, overweegt de rechtbank dat verweerder daartoe niet gehouden was. De verwijzing naar de aangehaalde afdelingsuitspraak (zie voetnoot 5) wordt niet gevolgd, nu in onderhavige zaak wel is gemotiveerd waarom eiser niet aan de voorwaarden voldoet. Van een enkele verwijzing naar de Oktoberbrief – zoals eiser stelt – is geen sprake. Er bestaat dan ook geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de gemaakte proceskosten van eiser in de bezwaarprocedure.
10. Ten aanzien van eisers standpunt in beroep 2, te weten dat verweerder aan eiser een dwangsom verschuldigd is, overweegt de rechtbank als volgt. Vast staat dat verweerder niet tijdig op het bezwaar van heeft beslist. Met het besluit van 11 maart 2025 heeft verweerder alsnog een besluit genomen op het bezwaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser nog wel procesbelang bij de beoordeling van zijn beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen van verweerder, nu er in de besluitvorming nog geen oordeel is gegeven over de vraag of hem een dwangsom toekomt. Die vraag beantwoordt de rechtbank ontkennend. Er is geen dwangsom verschuldigd, nu het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond is verklaard. [19] Vervolgens rijst de vraag of er aanleiding bestaat om de proceskosten van eiser te vergoeden. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daartoe is redengevend dat verweerder aan eiser geen herstel verzuim termijn heeft geboden om zijn bezwaargronden aan te leveren. De verwijzing van verweerder naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep [20] gaat dan ook niet op. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder in dit verband te veroordelen in de proceskosten van eiser.

Conclusie en gevolgen

11. Beroep 1 is ongegrond. Dat geldt ook voor beroep 2, voor zover deze is gericht tegen de afwijzing van verweerder om eiser naar Nederland over te brengen. Dat betekent dat verweerder het verzoek van eiser om overbrenging van hem en zijn gezin naar Nederland zowel op grond van de Speciale Voorziening als de Tolkenregeling op goede gronden heeft afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten voor beroep 1.
12. De rechtbank ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor beroep 2, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een totaal van tot een bedrag van € 1.814,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1 en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- met een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart beroep 1 ongegrond;
  • verklaart beroep 2, voor zover gericht tegen de afwijzing om overbrenging, ongegrond;
  • verklaart beroep 2, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, gegrond en
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Werkafspraken tolken 2014,
4.Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
5.Uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3322.
7.Motie van het lid Belhaj c.s.,
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:12329, r.o. 9.
9.Zie de uitspraken van de Afdeling van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718 en ECLI:NL:RVS:2023:719.
10.Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:2164.
11.Zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.
12.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
13.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700, onder 4.9.2.1 en 4.9.2.2.
14.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.
15.Zie het antwoord op vraag 11, van
16.Zie het antwoord op vragen 11 en 12, van
17.Uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3411.
18.De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de Speciale Voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.
19.Zie artikel 4:17, zesde lid, onderdeel c, van de Awb
20.Uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1105.