ECLI:NL:RBDHA:2025:27284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.6652
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8 EVRMRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822Richtlijn 2008/115
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander

Eiser, een Nigeriaanse derdelander die tijdelijk bescherming genoot op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de situatie in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke verblijfsrecht was beëindigd. Na een eerdere intrekking van een prematuur terugkeerbesluit, legde de minister een nieuw besluit op dat eiser verplicht terug te keren naar Nigeria.

Eiser voerde onder meer aan dat het terugkeerbesluit in strijd was met het vertrouwensbeginsel en artikel 8 EVRM Pro, en dat de hoorplicht niet was nageleefd. De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming rechtmatig was beëindigd en dat geen toezeggingen waren gedaan die het vertrouwensbeginsel schonden. Tevens werd overwogen dat artikel 8 EVRM Pro niet aan het terugkeerbesluit in de weg staat en dat de hoorplicht was vervuld door de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze.

Verder stelde eiser dat het terugkeerbesluit niet voldeed aan de Terugkeerrichtlijn omdat het land van terugkeer niet expliciet werd genoemd. De rechtbank vond dit niet onduidelijk omdat uit het besluit en de nationaliteit van eiser duidelijk bleek dat terugkeer naar Nigeria werd bedoeld.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het ingetrokken besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe terugkeerbesluit ongegrond. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten voor het ingetrokken besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en eiser moet terugkeren naar Nigeria.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.6652
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. R. van Bel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 30 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2003 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 17 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt per 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL23.27985. De minister heeft vervolgens het besluit van 17 augustus 2023 ingetrokken, omdat deze onrechtmatig was opgelegd.3 Eiser heeft dit beroep ingetrokken.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld, wat bij de rechtbank is geregistreerd met zaaknummer NL24.6652.
6. Op 30 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB per 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken4 en vervangen met het bestreden besluit van 30 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
7. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
9. Het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op het nieuwe terugkeerbesluit.
10. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van dit besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 18.

Het standpunt van eiser

11. Eiser voert aan dat het beëindigen van het recht op tijdelijke bescherming in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Volgens eiser is er sprake van een toezegging, omdat de Nederlandse overheid het vertrouwen heeft gewekt dat hij als derdelander net zolang tijdelijke bescherming zou krijgen, als dat Oekraïners toekomt. Eiser voert verder aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser heeft in zijn zienswijze verklaard dat hij pas 22 jaar is en bij zijn moeder in Nederland wil verblijven. De moeder van eiser heeft een Nederlandse partner. Eiser heeft de minister daarbij verzocht om een termijn voor het indienen van stukken. De minister heeft ten onrechte geen aanleiding gezien om deze stukken af te wachten en eiser te horen. Ter nadere onderbouwing heeft eiser in beroep een akte van erkenning ingebracht. Verder stelt eiser dat het terugkeerbesluit niet voldoet aan de vereisten uit de richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn), omdat het land van terugkeer niet expliciet in het terugkeerbesluit wordt genoemd. De enkele verwijzing naar de nationaliteit van eiser is volgens eiser niet voldoende. Ten slotte stelt eiser dat hij aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding, omdat hij terecht beroep heeft ingesteld tegen het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024.
3 Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
4 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Het oordeel van de rechtbank
Het vertrouwensbeginsel
12. De rechtbank overweegt het volgende. Uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
13. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024 en dat er geen toezeggingen zijn gedaan zoals door eiser gesteld. De rechtbank overweegt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024. De rechtbank overweegt verder dat – zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in de uitspraak van 17 januari 2024 – onder meer het vertrouwensbeginsel niet aan beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg staat, en dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne met tijdelijke bescherming.5 De Afdeling komt in haar uitspraak tot de conclusie dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is.6 De rechtbank is het eens met deze uitspraken van de Afdeling en neemt de inhoud daarvan over. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van Pro het EVRM en de hoorplicht

14. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het terugkeerbesluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank overweegt dat artikel 5, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn bepaalt dat de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de Terugkeerrichtlijn rekening houden met onder meer het familie- en gezinsleven. De rechtbank merkt in dit kader op dat uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet volgt dat de minister bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit moet toetsen of de terugkeer in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. In dat verband overweegt de rechtbank dat de Terugkeerrichtlijn niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf en dat aan deze richtlijn geen verblijfsrecht kan worden ontleend.7 Uit deze richtlijn vloeit dan ook geen verplichting voor de minister voort om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of een andere toestemming voor verblijf te geven. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige procedure dus niet bedoeld is voor een volledige beoordeling van familie- en gezinsleven, zoals dat wel wordt gedaan in een reguliere aanvraag. In zoverre wijst de minister er terecht op dat eiser, indien hij meent een verblijfsrecht te ontlenen aan het recht op familie- of gezinsleven, zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM, een daartoe strekkende aanvraag kan indienen.
5 Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10.2.
6 In de uitspraak van 23 april 2025 heeft de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 17 januari 2024, overwogen dat er geen reden is om tot een ander oordeel te komen, ECLI:NL:RVS:2025:1827, r.o. 4.
15. De rechtbank overweegt verder dat de in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen niet aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staan. De omstandigheid dat eiser bij zijn moeder in Nederland wil verblijven en haar Nederlandse partner hem heeft erkend, vormt volgens de rechtbank geen reden om af te zien van het opleggen van een terugkeerbesluit. Het is immers aan eiser om familie en -gezinsleven aannemelijk te maken. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat de moeder van eiser in bezit is van een verblijfsvergunning. Verder is de akte van erkenning onvoldoende, omdat hieruit niet blijkt dat sprake is van familie- of gezinsleven. Deze akte is opgemaakt op 28 augustus 2025 toen eiser ruim meerderjarig was. De minister stelt in zijn verweerschrift terecht dat de rechten op grond van de RTB tijdelijk van aard zijn. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat het enkele gegeven dat eiser erkend is door de partner van zijn moeder, niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbeerbesluit. Dat eiser ten onrechte niet is gehoord, voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit, volgt de rechtbank niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. De beroepsgrond slaagt niet.

Het land van terugkeer

16. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 aan het vereiste dat in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet worden vermeld. In een terugkeerbesluit moet onder meer worden vermeld naar welk land de vreemdeling moet terugkeren.8 Het is in dit kader niet zonder meer vereist dat in het terugkeerbesluit een uitdrukkelijke opdracht aan de vreemdeling wordt opgenomen om naar een derde land te vertrekken. Voldoende is dat uit de motivering van het terugkeerbesluit voor de vreemdeling duidelijk wordt naar welk derde land hij dient terug te keren, of als hij niet aan zijn vertrekplicht voldoet, naar welk land hij door de minister zal worden uitgezet. In het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 wordt in de beoordeling niet expliciet een land van terugkeer genoemd. Wel volgt uit dat besluit dat wordt uitgegaan van de Nigeriaanse nationaliteit van eiser en dat eiser moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. De rechtbank overweegt dat er geen onduidelijkheid bestaat over het land waarnaar eiser moet terugkeren en dat er daarover op geen moment onduidelijkheid heeft bestaan. De beroepsgrond slaagt niet.
7 Zie het arrest van het Hof van 22 november 2022, ECLI:EU:C:2022:913, r.o. 84 en 85.
8 Zie het arrest van het Hof van 14 mei 2020, ECLI:EU:C:2020:367 (FMS e.a.) en ECLI:NL:RVS:2021:1155, r.o. 10.1.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep, tegen het (ingetrokken) besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 30 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Nigeria.
18. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank redenen om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).
19. Bij uitspraak van 29 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.6653 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb. Op 5 april 2024 is eveneens een voorlopige voorziening getroffen in de zaak NL24.14855. Deze vervalt doordat uitspraak is gedaan op het beroep van eiser.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit van 30 juli 2025 ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.