Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], V-nummer: [nummer], eiser
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,de minister
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister waarin de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd vastgesteld op 25 november 2022. Eiser betoogt dat de juiste ingangsdatum 22 november 2022 is, de datum waarop hij zich meldde bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en zijn asielwens kenbaar maakte, zoals blijkt uit een loopbrief.
De minister stelde dat het tijdsverschil van drie dagen tussen het kenbaar maken van de asielwens en het indienen van het aanvraagformulier M35-H te gering is om belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling en verzocht om niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank oordeelt echter dat eiser wel degelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling, omdat een eerdere ingangsdatum relevant kan zijn voor latere verblijfsaanvragen of verstrekkingen.
De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bepaalt dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens bij de autoriteiten kenbaar maakt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelt de ingangsdatum vast op 22 november 2022.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 907,-, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 22 november 2022 en vernietigt het eerdere besluit voor zover de ingangsdatum op 25 november 2022 was gesteld.