ECLI:NL:RBDHA:2025:2810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2025
Publicatiedatum
25 februari 2025
Zaaknummer
NL24.9697
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 8:72, derde lid, aanhef en onder b, Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister waarin de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd werd vastgesteld op 25 november 2022. Eiser betoogt dat de juiste ingangsdatum 22 november 2022 is, de datum waarop hij zich meldde bij het Aanmeldcentrum in Ter Apel en zijn asielwens kenbaar maakte, zoals blijkt uit een loopbrief.

De minister stelde dat het tijdsverschil van drie dagen tussen het kenbaar maken van de asielwens en het indienen van het aanvraagformulier M35-H te gering is om belang te hebben bij een inhoudelijke beoordeling en verzocht om niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank oordeelt echter dat eiser wel degelijk belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling, omdat een eerdere ingangsdatum relevant kan zijn voor latere verblijfsaanvragen of verstrekkingen.

De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die bepaalt dat de asielaanvraag wordt ontvangen op het moment dat de vreemdeling persoonlijk zijn asielwens bij de autoriteiten kenbaar maakt. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het de ingangsdatum betreft en stelt de ingangsdatum vast op 22 november 2022.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 907,-, en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit.

Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 22 november 2022 en vernietigt het eerdere besluit voor zover de ingangsdatum op 25 november 2022 was gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9697

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W. Volkers),
en
de van de Minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,de minister
(gemachtigde: Y.W.M. Schrijver).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van 7 februari 2024 (het bestreden besluit), waarbij de minister eisers aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingewilligd. Het beroep richt zich tegen de ingangsdatum van de verblijfsvergunning.
1.1.
De minister heeft op verzoek van de rechtbank op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Eiser heeft een schriftelijke reactie ingediend op het verweerschrift.
1.3.
Partijen hebben de rechtbank toestemming gegeven om zonder zitting uitspraak te doen op het beroep. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser juist heeft vastgesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat de zaak over?
4. De minister heeft aan eiser een verblijfvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend met ingang van 25 november 2022 en geldig tot 25 november 2027. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. Hij voert aan dat de verblijfsvergunning verleend moet worden met ingang van 22 november 2022. Hij heeft zich op die datum namelijk gemeld in het Aanmeldcentrum in Ter Apel. Dat blijkt uit de overgelegde loopbrief, afgegeven op 22 november 2022. De minister heeft ten onrechte de ingangsdatum voor de verblijfsvergunning asiel vastgesteld op de datum waarop eiser het M35-H formulier heeft ingediend.
Procesbelang
4. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het verschil tussen de datum waarop eiser de asielwens heeft geuit en de datum van het indienen van het aanvraagformulier M35-H is namelijk slechts drie dagen. Dit tijdsverschil is volgens de minister zo klein dat de aanpassing van de ingangsdatum voor eiser niet van feitelijke betekenis is. De minister vindt daarom dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moet verklaren.
4.1.
De rechtbank oordeelt dat eiser belang heeft bij een inhoudelijk oordeel en aanpassing van de ingangsdatum van zijn verblijfsvergunning. De minister heeft niet onderbouwd of concreet gemaakt dat de aanpassing voor eiser niet van feitelijke betekenis is. Dat het gaat om een klein verschil, betekent nog niet dat eiser geen enkel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Niet is uitgesloten dat een eerdere ingangsdatum van betekenis is voor latere verblijfsaanvragen of andere verstrekkingen. Eiser kan daarom door het instellen van beroep in een gunstigere positie komen. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de Afdeling [1] in de uitspraak van 20 januari 2025 niet heeft geoordeeld dat het tijdsverschil tussen het kenbaar maken van de asielwens en het M35-H formulier van belang is voor het bepalen van de ingangsdatum. [2] De rechtbank behandelt daarom het beroep hierna inhoudelijk.
Ingangsdatum
5. De rechtbank oordeelt dat de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning niet juist heeft vastgesteld. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025 volgt uit de wet [3] en het Unierecht dat de asielaanvraag is ontvangen op het moment dat een vreemdeling in persoon bij de autoriteiten zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Dit moment kan bijvoorbeeld blijken uit de loopbrief. Eiser heeft op 22 november 2022, de datum van de loopbrief, zijn asielwens kenbaar gemaakt. Dit betekent dat de beroepsgrond slaagt en het beroep gegrond is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover de minister daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel heeft vastgesteld op 25 november 2022. Uit het oogpunt van definitieve geschillenbeslechting zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning van eiser vast te stellen op 22 november 2022 en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. [4]
7. De minister moet de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 907,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend. De rechtbank ziet geen aanleiding om de wegingsfactor zeer licht toe te passen, zoals de minister heeft verzocht. De wegingsfactor is afhankelijk van het gewicht van de zaak. Behandeling van een zaak in de bezwaar-en beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken. [5] Daarvan is in deze zaak niet gebleken. Dat alleen wordt geprocedeerd over de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vormt onvoldoende grond om een zodanige reden aan te nemen. De rechtbank ziet in de Afdelingsuitspraak van 20 januari 2025 ook geen aanknopingspunten om een lagere wegingsfactor toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 februari 2024, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel is vastgesteld op 25 november 2022;
- stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel vast op 22 november 2022;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 7 februari 2024, voor zover dit besluit is vernietigd;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,-
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
2.ECLI:NL:RVS:2025:159, en herhaald in 10 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:489).
3.Zie artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408.