ECLI:NL:RVS:2025:489
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Vaststelling correcte ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na overschrijding beslistermijn
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens het hoger beroep had de minister alsnog een besluit genomen en de aanvraag ingewilligd, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten vanwege de overschrijding van de beslistermijn.
Daarnaast werd beroep ingesteld tegen het besluit van 17 april 2024. De vreemdeling betoogde terecht dat de minister een onjuiste ingangsdatum van de verblijfsvergunning had vastgesteld, namelijk de datum van de schriftelijke aanvraag in plaats van de datum waarop zij persoonlijk haar asielwens kenbaar maakte.
De Afdeling oordeelde dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moet worden vastgesteld op 11 juli 2022, de datum van de persoonlijke melding. Het besluit werd vernietigd voor zover het de ingangsdatum betrof en de Afdeling stelde zelf de correcte datum vast. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning werd vastgesteld op 11 juli 2022.