Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:489

Raad van State

Datum uitspraak
10 februari 2025
Publicatiedatum
10 februari 2025
Zaaknummer
202401079/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling correcte ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na overschrijding beslistermijn

De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tijdens het hoger beroep had de minister alsnog een besluit genomen en de aanvraag ingewilligd, waardoor het hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van proceskosten vanwege de overschrijding van de beslistermijn.

Daarnaast werd beroep ingesteld tegen het besluit van 17 april 2024. De vreemdeling betoogde terecht dat de minister een onjuiste ingangsdatum van de verblijfsvergunning had vastgesteld, namelijk de datum van de schriftelijke aanvraag in plaats van de datum waarop zij persoonlijk haar asielwens kenbaar maakte.

De Afdeling oordeelde dat de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moet worden vastgesteld op 11 juli 2022, de datum van de persoonlijke melding. Het besluit werd vernietigd voor zover het de ingangsdatum betrof en de Afdeling stelde zelf de correcte datum vast. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep werd niet-ontvankelijk verklaard en de ingangsdatum van de verblijfsvergunning werd vastgesteld op 11 juli 2022.

Uitspraak

202401079/1/V2.
Datum uitspraak: 10 februari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 januari 2024 in zaak nr. NL23.34054 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 19 januari 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 17 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
De vreemdeling heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep
1.       Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van de vreemdeling tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op haar aanvraag van 24 augustus 2022. Dat heeft de minister bij het besluit van 17 april 2024 wel gedaan. Wat de vreemdeling aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van haar hoger beroep.
2.       Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden heeft mogen verlengen. Op deze prejudiciële vragen heeft het Hof van Justitie nog geen antwoord gegeven. In dit geval heeft de minister bij besluit van 17 april 2024 de aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. De vreemdeling heeft deze aanvraag op 24 augustus 2022 ingediend. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3.       De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beroep tegen het besluit van 17 april 2024
4.       Het besluit van 17 april 2024 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van Pro de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De vreemdeling heeft bij brief van 19 november 2024 aan de Afdeling te kennen gegeven dat zij het niet eens is met dat besluit. De vreemdeling heeft in die brief ook beroepsgronden gericht tegen dat besluit.
5.       De vreemdeling betoogt terecht dat de minister in het besluit van 17 april 2024 een verkeerde ingangsdatum van de verblijfsvergunning heeft vastgesteld. De minister is ten onrechte uitgegaan van de datum waarop de vreemdeling haar aanvraag heeft ingediend aan de hand van het formulier model M35-H. Dat was op 24 augustus 2022. De minister moet bij het bepalen van de ingangsdatum namelijk uitgaan van het moment waarop de vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon haar asielwens kenbaar heeft gemaakt. Uit de door de vreemdeling overgelegde loopbrief blijkt dat zij dat op 11 juli 2022 heeft gedaan. Daarom had de minister de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moeten vaststellen op 11 juli 2022. Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159, onder 3 tot en met 3.2.
6.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 17 april 2024 wordt vernietigd voor zover de minister daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel heeft vastgesteld op 24 augustus 2022. Uit een oogpunt van definitieve geschilbeslechting zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien door de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast te stellen op 11 juli 2022, en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb). De minister moet de proceskosten vergoeden.
7.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 17 april 2024, V-[…], gegrond;
III.      vernietigt dat besluit, voor zover daarin de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is vastgesteld op 24 augustus 2022;
IV.     stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 11 juli 2022;
V.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 17 april 2024, voor zover dat is vernietigd;
VI.     veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2025
992