Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een WIA-uitkering door het UWV. Het bezwaar werd ingediend op 27 februari 2024, waarna het UWV de beslistermijn met zes weken verlengde, waardoor uiterlijk op 22 augustus 2024 een besluit had moeten worden genomen. Het UWV heeft echter niet binnen deze termijn beslist.
Eiseres heeft het UWV op 23 augustus 2024 ingebreke gesteld, waarna twee weken zijn verstreken zonder dat het UWV alsnog een besluit heeft genomen. De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk gegrond is en dat het UWV alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Vanwege een tekort aan verzekeringsartsen en de noodzaak tot zorgvuldige heroverweging wordt een termijn van vier maanden opgelegd.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat het UWV de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Het griffierecht en proceskosten van € 453,50 worden aan eiseres vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 9 januari 2025.