ECLI:NL:RBDHA:2025:4676
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring
Verzoeker heeft tegen het besluit van 9 augustus 2024, waarbij zijn EU-verblijfsrecht is beëindigd en hij ongewenst is verklaard, bezwaar gemaakt dat op 20 januari 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens heeft verzoeker beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd om het besluit te schorsen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het ontbreken van schorsende werking van het beroep onvoldoende is voor het aannemen van spoedeisend belang. Verzoeker mag de uitkomst van zijn beroep in Nederland afwachten en er is geen concreet voornemen tot uitzetting op korte termijn. Daarnaast leidt de strafbaarstelling van verblijf als ongewenstverklaarde niet tot spoedeisend belang, omdat een voorlopige voorziening de ongewenstverklaring niet opheft.
Gezien deze omstandigheden is het verzoek kennelijk ongegrond en wordt het afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit tot beëindiging van het EU-verblijfsrecht en ongewenstverklaring is afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.