ECLI:NL:RBDHA:2025:551
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Ethiopische nationaliteit, diende op 29 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Polen op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is, na bevestiging van een eerdere Poolse asielaanvraag van eiser op 4 mei 2024. Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende op zijn persoonlijke omstandigheden was ingegaan en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen niet meer geldt vanwege tekortkomingen in de Poolse asielprocedure en opvang.
De rechtbank oordeelt dat het voornemen van de minister zorgvuldig tot stand is gekomen en dat eiser de mogelijkheid had om zijn zienswijze naar voren te brengen. De minister heeft in het bestreden besluit adequaat op deze persoonlijke omstandigheden gereageerd. Ten aanzien van het interstatelijk vertrouwensbeginsel stelt de rechtbank dat de minister terecht uitgaat van dit beginsel, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en rapporten zoals het AIDA-rapport en het ECRE-rapport.
De rechtbank concludeert dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening een uitzondering rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, waardoor de minister de asielaanvraag niet hoeft te behandelen en eiser mag worden overgedragen aan Polen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister mag de asielaanvraag niet in behandeling nemen en eiser overdragen aan Polen.