ECLI:NL:RBDHA:2025:5531
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging in Iran
Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende persoon, diende een opvolgende asielaanvraag in met als grond dat hij atheïstisch is geworden en daardoor risico loopt op vervolging bij terugkeer naar Iran. Hij voerde tevens politieke activiteiten aan als reden voor zijn vrees. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond en legde een vertrekbevel en inreisverbod op.
De rechtbank behandelde het beroep en concludeerde dat de minister de verklaringen van eiser over zijn identiteit, atheïsme en politieke activiteiten geloofwaardig achtte, maar dat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij een reëel risico loopt op vervolging. De rechtbank oordeelde dat eiser zijn atheïsme op een beperkte, passieve wijze uit en dat van hem kan worden verwacht zich enigszins te conformeren aan de islamitische gebruiken in Iran.
Ook de politieke activiteiten van eiser zijn volgens de minister en rechtbank niet van dien aard dat zij leiden tot een verhoogd risico op vervolging. Daarnaast is het risico bij terugkeer op het vliegveld beoordeeld aan de hand van een informatiebericht, waarbij werd geconcludeerd dat het enkele ondertekenen van een verklaring dat hij moslim is geen daad van vervolging oplevert. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte vrees voor vervolging.