ECLI:NL:RBDHA:2025:5634
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Surinaamse vrouw wegens onvoldoende gronden en handhaving terugkeerbesluit
Eiseres, een vrouw met de Surinaamse nationaliteit, diende op 7 juni 2024 een asielaanvraag in nadat haar eerdere verblijfsvergunning was ingetrokken. Zij stelde dat zij Suriname in 2010 had verlaten vanwege onveilige omstandigheden en vreest bij terugkeer vastgezet te worden. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de aangevoerde gronden niet relevant zijn voor het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening op 6 maart 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde niet aanwezig waren. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de lichamelijke en geestelijke klachten van eiseres, zoals beschreven in het MedT-advies. De vrees van eiseres voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Suriname was onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast werd bevestigd dat het eerdere terugkeerbesluit terecht gehandhaafd blijft en dat eiseres geen recht heeft op uitstel van vertrek of gedoogd illegaal verblijf. De rechtbank kan in deze procedure niet oordelen over de opvang of de rechtmatigheid van detentie, waarover reeds aparte uitspraken zijn gedaan. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.