ECLI:NL:RBDHA:2025:6417
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens schijnrelatie
Verzoekster, met de Ghanese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER met het doel gezinshereniging bij een economisch niet-actieve Burger van de Unie. Deze aanvraag werd afgewezen door verweerder wegens een eerder vastgestelde schijnrelatie. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om Nederland niet te hoeven verlaten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster een spoedeisend belang had, omdat het besluit onmiddellijke uitzetting tot gevolg had. Echter, op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb moet bij een opvolgende aanvraag nieuw gebleken feiten of omstandigheden worden aangetoond om het eerdere besluit te heroverwegen.
Verzoekster slaagde er niet in om nieuwe feiten of omstandigheden aan te tonen die een oprechte relatie zouden onderbouwen. De overgelegde bewijzen, zoals ongedateerde foto’s, whatsappberichten en belhistorie, waren onvoldoende concreet en deels eenzijdig. De voorzieningenrechter volgde verweerder in de conclusie dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, waardoor de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet werden opgeschort. Verzoekster kreeg geen griffierecht terug en geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat geen nieuwe feiten zijn aangevoerd die het eerdere besluit over de schijnrelatie kunnen herzien.