ECLI:NL:RBDHA:2025:6472
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens mvv-vereiste niet in strijd met Turks associatierecht
Eiser, een Turkse onderdaan, diende op 26 september 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag af op 12 november 2024 vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet vrijgesteld zijn van het mvv-vereiste. Het bezwaar van eiser tegen deze afwijzing werd op 14 januari 2025 eveneens ongegrond verklaard.
Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, met het argument dat het toepassen van het mvv-vereiste in zijn geval in strijd is met het Turks associatierecht. De rechtbank liet partijen weten geen zitting nodig te achten en sloot het onderzoek zonder zitting.
De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken van 1 november 2024 en 9 april 2025 waarin het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen werd bevestigd. Omdat de beroepsgronden van eiser identiek waren aan eerdere zaken, oordeelde de rechtbank dat het beroep ongegrond is en de afwijzing in stand blijft. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.