In deze bestuursrechtelijke zaak hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie op hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank had in een eerdere uitspraak een beslistermijn van acht weken opgelegd, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek. De minister heeft niet binnen de gestelde termijn besloten en heeft ook geen melding gemaakt van nader onderzoek.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en gegrond. De minister wordt opgedragen binnen zes weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij het niet nakomen van deze termijn wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €7.500. De rechtbank wijst het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van €453,50.
De rechtbank benadrukt de zorgvuldigheid die vereist is bij het stellen van een termijn en houdt rekening met de achterstanden bij de minister. De procedure is schriftelijk behandeld zonder zitting, aangezien partijen geen zitting hebben verzocht. De uitspraak is openbaar en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.