De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen het besluit van de minister om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielprocedure.
Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mocht worden vanwege tekortkomingen in de Duitse opvang, mede door traumatische ervaringen en suïcidepogingen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat er sprake is van systematische tekortkomingen in Duitsland en dat de minister terecht op het vertrouwensbeginsel mocht steunen.
Verder stelde eiser dat de minister onterecht geen advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) had gevraagd. Na overlegging van medische stukken werd alsnog een BMA-advies ingewonnen, dat concludeerde dat eiser in staat is om te reizen mits begeleiding en medicatiebeheer tijdens de reis. De rechtbank vond dat het BMA-advies de minister voldoende grond gaf om het risico op een onomkeerbare achteruitgang van de gezondheid weg te nemen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.