Art. 8 EVRMArt. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen plaatsingsbesluit en vrijheidsbeperkende maatregel COA
De rechtbank Den Haag heeft op 29 april 2025 uitspraak gedaan over twee beroepen van een Syrische vreemdeling tegen het plaatsingsbesluit van het COA en een vrijheidsbeperkende maatregel van de minister. Het plaatsingsbesluit betrof de plaatsing in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen vanaf 24 februari 2025.
Eiser heeft de incidenten die aan het plaatsingsbesluit ten grondslag liggen niet bestreden. Het COA kwalificeerde deze incidenten als van zeer grote impact, en de rechtbank vond dat het COA terecht geen lichter middel heeft toegepast. Er is geen bewijs voor onbevoegd geweld bij binnenkomst of schending van artikel 8 EVRMPro. Verwijzingen van eiser naar andere uitspraken zijn niet relevant vanwege verschillen in feiten en omstandigheden.
Eiser had op 26 februari 2025 vrijwillig de HTL verlaten en afgezien van opvang. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond werd verklaard en de vrijheidsbeperkende maatregel daarop steunt, werd ook het beroep tegen deze maatregel ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.
Tegen het beroep tegen het plaatsingsbesluit staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar tegen het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel is geen rechtsmiddel beschikbaar.
Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.13730 en AWB25/6820
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2025 in de zaak tussen
[naam], eiser,
geboren op [geboortedatum],
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,
evenals
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 24 februari 2025, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 24 februari 2025 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [1] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 vanPro de Vw [2] op te leggen.
1.1.
Het COa heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
Eiser heeft op 26 februari 2025 de HTL vrijwillig verlaten en afgezien van opvang.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden uit hoe zij tot dit oordeel komt.
3. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten dat eiser in de HTL kan worden geplaatst. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 10 januari 2025 [3] volgt dat eiser de incidenten die aan het plaatsingsbesluit ten grondslag liggen niet heeft bestreden, dat het COa de incidenten terecht heeft gekwalificeerd als incidenten met een zeer grote impact, dat het COa terecht geen lichter middel aan eiser heeft opgelegd en dat niet is gebleken dat er onbevoegd geweld is gebruikt bij binnenkomst of dat er sprake is van een schending van artikel 8 vanPro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). [4] In wat eiser naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen aanleiding voor een andersluidend oordeel. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en deze zittingsplaats van 9 december 2024 treft geen doel omdat het geen gelijke gevallen betreffen. [5] In de zaak waar eiser naar verwijst ging het namelijk om fysiek letsel, in de zaak van eiser gaat het om bedreigingen. Ook de verwijzing van eiser naar de uitspraak van 17 december 2024 [6] treft geen doel omdat het geen gelijke gevallen betreffen. In die zaak was de vreemdeling in de tussenliggende periode in Veldzicht behandeld en daarmee stond hij onder toezicht van het COa. In het onderhavige geval heeft eiser op 1 december 2024 afgezien van opvang en zich pas op 23 februari 2025 weer gemeld bij het COa. Eiser was hiermee buiten beeld van het COa. Het COa was mede om deze reden, niet gehouden om een nieuw akkoord van GZA te vragen, zoals ook volgt uit het Maatregelenbeleid. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat niet meer van het GZA-akkoord kan worden uitgegaan.
4. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart de beroepen ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 29 april 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.
Voetnoten
1.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.