Eiser diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag van 22 juni 2023. De minister had de beslistermijn van zes maanden met negen maanden verlengd, waardoor deze termijn was verstreken zonder besluit. Eiser verzocht om een spoedige beslissing, maar de minister kwam hier niet aan tegemoet, waarna het beroep werd ingesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij stelde vast dat de minister binnen acht weken na de uitspraak een besluit moet nemen, conform het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden was overschreden, achtte de rechtbank een kortere termijn passend.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,- om de minister te stimuleren binnen de gestelde termijn te beslissen. De rechtbank vond deze dwangsom redelijk gelet op de capaciteitsproblemen bij de minister, zonder sprake van een weigerachtige houding. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.