Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag om haar bijstandsuitkering toe te kennen met toepassing van de kostendelersnorm, omdat haar zoon volgens het college zijn hoofdverblijf bij haar heeft. De rechtbank heeft het beroep behandeld op 28 januari 2025 en beoordeelt of het college voldoende bewijs heeft geleverd dat zoon [naam 1] zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres heeft.
Tijdens het onderzoek en het onaangekondigde huisbezoek is zoon [naam 1] aangetroffen in de woning van eiseres, waar hij af en toe slaapt. Het college baseerde het besluit op deze bevindingen en verklaringen van eiseres en haar zoon. De rechtbank stelt vast dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van zoon [naam 1] niet op het adres van eiseres is, mede omdat hij een eigen kamer heeft in een andere plaats en slechts incidenteel bij eiseres verblijft.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zoon [naam 1] zijn hoofdverblijf bij eiseres heeft. Daarom is de toepassing van de kostendelersnorm onterecht en wordt het beroep gegrond verklaard. De bijstand wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande voor de periode van 13 juli 2022 tot en met 6 april 2023. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.