ECLI:NL:RBDHA:2025:764

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2025
Publicatiedatum
23 januari 2025
Zaaknummer
NL25.439
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 24 oktober 2024 aan eiser een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank toetste uitsluitend de rechtmatigheid van de maatregel sinds het sluiten van het vorige onderzoek op 13 december 2024. Uit de beoordeling blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat het zicht op uitzetting naar Mali ontbreekt. Eiser maakte onvoldoende aannemelijk dat dit in zijn geval anders is, mede omdat hij weigerde deel te nemen aan een presentatie die noodzakelijk is voor de uitzetting.

De minister heeft volgens de rechtbank voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting, met onder meer een vertrekgesprek en meerdere geplande presentaties. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht geen lichter middel dan bewaring heeft toegepast en dat de maatregel gedurende de onderzochte periode rechtmatig bleef.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.439
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 januari 2024 in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],
V-nummer: [v-nummer:],
van Malinese nationaliteit,
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 24 oktober 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij ook verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
1.4.
Na afloop van de behandeling van de zaak op de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding van de proceskosten. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel komt.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst in de uitspraak van 19 december 2024. [1] De rechtbank toetst in dit geval alleen of sinds het moment van het sluiten van het onderzoek op 13 december 2024 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Er is geen aanleiding om te oordelen dat zicht op uitzetting naar Mali in algemene zin ontbreekt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is. Het feit dat de presentatie niet heeft kunnen plaatsvinden omdat eiser deze zou hebben geweigerd, is hiervoor onvoldoende. Bovendien is het aan eiser om een actieve en volledige medewerking te verlenen aan zijn uitzetting. [2] De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking niet verleent. Daarnaast heeft de minister opnieuw een presentatie ingepland voor eind februari of begin maart 2025. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de Malinese autoriteiten niet meewerken.
4.1.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft op 18 december 2024 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en op 24 december 2024 gerappelleerd op de laissez-passer-aanvraag. Daarnaast had de minister op 20 december 2024 een presentatie ingepland, die door eiser is geweigerd. Bovendien wordt een nieuwe presentatie ingepland voor eind februari of begin maart 2025. Deze gang van zaken vindt de rechtbank voldoende voortvarend.
4.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel, dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser heeft ook geen redenen naar voren gebracht waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel op te leggen.
4.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2024 door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.NL24.47728.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210).