Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden had beslist op hun afzonderlijke asielaanvragen van 20 oktober 2023. De minister had deze termijn met negen maanden verlengd, maar deze verlenging was inmiddels verstreken. Na verzoeken om alsnog binnen twee weken te beslissen, stelde de minister geen besluit op en dienden eisers beroep in.
De rechtbank verklaarde de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank stelde vast dat de minister op grond van het '8+8 wekenmodel', zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, binnen zestien weken na de uitspraak een besluit moet nemen. Om naleving van deze termijn af te dwingen, legde de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 7.500,-.
Daarnaast veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 453,50. De rechtbank handelde zonder zitting en stelde vast dat sprake was van samenhangende zaken met nagenoeg identieke rechtsbijstand. De uitspraak werd openbaar gemaakt en partijen werden gewezen op de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.