Eiseres, afkomstig uit Syrië, diende op 9 januari 2024 een asielaanvraag in. Zij stelde de minister op 11 juli 2024 in gebreke wegens het uitblijven van een beslissing en stelde daarop beroep in. De minister verlengde de beslistermijn met WBV 2023/26 met negen maanden, maar de rechtbank oordeelt dat deze verlenging niet rechtsgeldig is omdat de situatie van een onverwachte toename van asielaanvragen niet meer geldt en de verlenging niet beperkt is in tijd.
De rechtbank bevestigt eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat langdurige verlenging van de beslistermijn niet verenigbaar is met de verplichting van de lidstaat om passende middelen in te zetten om binnen zes maanden te beslissen. De minister heeft onvoldoende aangetoond dat zich een nieuwe onverwachte toename heeft voorgedaan.
Daarnaast is tijdens het beroep een besluitmoratorium voor Syriërs van kracht geworden, dat de beslistermijn met een jaar verlengt. Hoewel het moratorium pas na de ingebrekestelling van kracht werd, geldt het ook voor lopende aanvragen. Hierdoor is de verplichting van de minister om te beslissen opgeschort en is het beroep ongegrond.
De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiseres wegens het terecht instellen van het beroep. De uitspraak bevestigt de noodzaak van tijdige besluitvorming binnen de wettelijke kaders en de rechtsgeldigheid van het besluitmoratorium.