Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 15 augustus 2024 waarin werd bepaald dat hij niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. Nadat het UWV niet tijdig op het bezwaar had beslist, stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag op 25 maart 2025 wegens het uitblijven van een beslissing.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn door het UWV is overschreden en dat verweerder niet heeft gereageerd op het bezwaar. Gelet op de noodzaak van een medische beoordeling door een verzekeringsarts en de structurele tekorten bij het UWV, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een bijzonder geval dat een aangepaste termijn rechtvaardigt.
De rechtbank legt vast dat het UWV binnen zes weken na de uitspraak een medische beoordeling moet verrichten en binnen drie weken daarna een besluit moet nemen, met een maximumtermijn van negen weken. In dit specifieke geval is een hoorzitting gepland op 10 april 2025, waarna het UWV uiterlijk binnen drie weken een besluit moet nemen. De rechtbank bepaalt dat verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten aan eiser.