Art. 50 lid 3 VwArt. 59 lid 1 aanhef en onder a VwArt. 8 VwArt. 14 VerblijfsrichtlijnArt. 15 Verblijfsrichtlijn
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling bewaring en schadevergoeding voor EU-burger zonder rechtmatig verblijf
Eiser, een Roemeense burger, werd op 13 april 2025 opgehouden en vervolgens in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Hij stelde beroep in tegen beide maatregelen, waarbij het beroep tegen de ophouding niet-ontvankelijk werd verklaard en de beroepsgronden werden gevoegd bij het beroep tegen de bewaring.
De rechtbank onderzocht of de bewaring onrechtmatig was en of eiser recht had op schadevergoeding. De bewaring was opgeheven omdat eiser was uitgezet. De rechtbank concludeerde dat de bewaring rechtmatig was, mede omdat eiser niet langer rechtmatig verblijf genoot op grond van een besluit tot verwijdering dat was getoetst aan de Verblijfsrichtlijn. De toepassing van artikel 59 VwPro is niet uitsluitend gebonden aan de Terugkeerrichtlijn (Tri), en de analoge toepassing van bepalingen uit het Vreemdelingenbesluit 2000 werkt in het voordeel van eiser.
Eiser voerde aan dat de staandehouding onrechtmatig was vanwege ontbrekende of niet-ondertekende stukken, maar de rechtbank stelde vast dat het proces-verbaal van aanhouding rechtsgeldig was en dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. De rechtbank verwierp ook de stelling dat de minister niet bevoegd was om de bewaring op grond van artikel 59 VwPro op te leggen aan een EU-burger.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring een geschikt en noodzakelijk middel was om uitvoering te geven aan het besluit tot verwijdering en dat de objectieve criteria voor het risico op onderduiken voldoende waren vastgelegd. Het beroep tegen de maatregel van bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.17178 en NL25.17179
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de Minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. J.P.M. Wuite).
Procesverloop
Op 13 april 2025 heeft de minister eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
Bij besluit van 13 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit ook beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 18 april 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser is uitgezet.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
Toetsingsbereik
2. De rechtbank stelt vast dat eiser separaat beroep heeft ingesteld tegen de ophouding. Bij de beoordeling van het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt echter ook het voortraject getoetst. Het beroep tegen de ophouding is daarom ten overvloede ingesteld. Omdat het voortraject niet dubbel kan worden getoetst, zal de rechtbank het beroep tegen de ophouding niet-ontvankelijk verklaren. Wel zullen de beroepsgronden tegen de ophouding worden gevoegd in het beroep tegen de maatregel van bewaring.
3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 vanPro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ophouding
4. Eiser voert aan dat het dossier van de ophouding geen stukken bevat van de staandehouding. Primair stelt eiser dat de staandehouding daarom onrechtmatig moet worden geacht. Subsidiair stelt eiser dat het proces-verbaal van staandehouding, in het dossier van de maatregel van bewaring, niet is ondertekend. Daarom is deze niet rechtsgeldig en ontbreekt. Daarbij ontbreekt een indicatie dat sprake is van een strafrechtelijk traject en moet het ervoor worden gehouden dat sprake is van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding. Er was echter geen sprake van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, waardoor de staandehouding onrechtmatig is.
5. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Over het primaire standpunt verwijst de rechtbank naar wat hiervoor is overwogen. Daarom zal het dossier van de maatregel van bewaring worden gebruikt voor toetsing van de ophouding. In dat dossier zit een proces-verbaal van aanhouding. Dat proces-verbaal is op ambtseed opgemaakt en elektronisch ondertekend op 12 april 2025. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding te twijfelen aan de inhoud daarvan, waaruit blijkt dat eiser op heterdaad is aangehouden in Amsterdam als verdachte van openbaar dronkenschap. Daaruit blijkt voldoende dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Eisers subsidiaire standpunt slaagt daarom evenmin.
Grondslag van de maatregel
6. Eiser voert verder aan dat artikel 59 vanPro de Vw berust op artikel 15 vanPro de Terugkeerrichtlijn (Tri). [1] De Tri geeft de bevoegdheid om derdelanders in bewaring te stellen, maar eiser is een burger van de Europese Unie. Eiser is dus uitgesloten van het toepassingsgebied van de Tri. De minister is dus niet bevoegd toepassing te geven aan artikel 59 vanPro de Vw, terwijl die dient ter implementatie van de Tri. De bewaring is dus niet op een rechtsgeldige grondslag gebaseerd. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling, [2] waarin is overwogen dat de minister erkent dat burgers van de Europese Unie niet onder de werking van de Tri vallen, maar door de Afdeling is bepaald dat artikel 5.1a en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) toch van toepassing zijn om rechtsongelijkheid te voorkomen. Het is echter niet toegestaan om van een richtlijn af te wijken. Die artikelen zijn bovendien ook een uitwerking van de Tri. Dat dit niet is toegestaan volgt ook uit artikel 28 vanPro de Verblijfsrichtlijn. [3] Een besluit tot verwijdering kan alleen worden genomen als sprake is van een actuele, ernstige bedreiging voor de openbare orde. Dat is een totaal andere maatstaf.
7. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is een bepaling om personen zonder rechtmatig verblijf in bewaring te stellen. Iemand heeft geen rechtmatig verblijf als hij niet valt onder één van de in artikel 8 vanPro de Vw genoemde gevallen. Dat artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw uitsluitend is bedoeld om uitvoering te geven aan de Tri, volgt de rechtbank daarom niet. In het besluit van 31 oktober 2024, die op 6 februari 2025 aan eiser is uitgereikt, is geconcludeerd dat eiser niet langer verblijfsrecht geniet op grond van artikel 6 ofPro 7 van de Verblijfsrichtlijn. Daarbij is ook getoetst aan artikel 14 vanPro die richtlijn. Dat besluit van 31 oktober 2024 is een (licht) besluit tot verwijdering, als bedoeld in artikel 15 vanPro de Verblijfsrichtlijn. Eiser heeft daarom niet langer rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw. Hij is daarom terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in bewaring gesteld.
7.1.
Dat de Nederlandse wetgeving op dit punt in strijd is met de Verblijfsrichtlijn, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft niet onderbouwd dat bewaring alleen mogelijk is als een (zwaar) besluit tot verwijdering om redenen van openbare orde is genomen. De rechtbank ziet hiervoor geen aanknopingspunten. Bewaring is ook mogelijk bij een burger van de Unie over wie een (licht) besluit tot verwijdering, als bedoeld in artikel 15 vanPro de Verblijfsrichtlijn is genomen. Artikel 15 vanPro de Verblijfsrichtlijn biedt immers de mogelijkheid om een burger van de Unie te verwijderen, die niet langer voldoet aan artikel 6 ofPro 7 van die richtlijn. Bewaring is dan ook niet in strijd met artikel 15 vanPro de Verblijfsrichtlijn. Of de bewaring gerechtvaardigd is, moet in het licht van dat artikel worden beoordeeld. Voor bewaring van een burger van de Unie is daarom vereist dat hij geen verblijfsrecht heeft en dat er zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. Bewaring van iemand over wie een besluit tot verwijdering is genomen, moet tot doel hebben dat besluit tot verwijdering ten uitvoer te brengen. Bewaring is een geschikt en noodzakelijk middel. Nederland beoogt de bewaring van een derdelander op gelijke wijze toe te passen op bewaring van een burger van de Unie, behalve als voor deze burger gunstiger bepalingen gelden. Dat is niet in strijd met een richtlijn. De rechtbank verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling, [4] waarin in r.o. 10 nog aanvullende voorwaarden zijn geformuleerd.
7.2.
Dat artikel 5.1a en 5.1b van het Vb van toepassing zijn verklaard, is evenmin in strijd met de Verblijfsrichtlijn. Weliswaar zijn artikel 5.1a en 5.1b van het Vb een omzetting van artikel 15 vanPro de Tri en is de Tri niet van toepassing op burgers van de Unie. Echter, dat de minister zijn bevoegdheid tot inbewaringstelling van burgers van de Unie heeft ingeperkt, door artikel 5.1a en 5.1b van het Vb naar analogie toe te passen, werkt in het voordeel van eiser. Dit is daarom niet in strijd met de Verblijfsrichtlijn.
Motivering van de maatregel
8. Eiser voert tot slot aan dat het besluit geen opgave doet van artikel 5.1a en 5.1b van het Vb. Inlezen is gelet op het arrest Mahdi niet toegestaan.
9. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser: 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser: 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
10. Uit het arrest Al Chodor [5] volgt dat de objectieve criteria waarop het risico op onderduiken gebaseerd is, moeten worden vastgelegd in een dwingende bepaling van algemene strekking. In uitspraken van de Afdeling [6] is al geoordeeld dat het Model M109A de juridische en de feitelijke grondslag van de maatregel bevat, door vermelding van de zware en lichte gronden. Verder heeft de Afdeling geoordeeld dat het Vb waarin de objectieve criteria zijn vastgelegd (artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vb), een algemeen verbindend voorschrift is en daarmee voldoet aan het in het arrest Al Chodor gestelde vereiste van een dwingende bepaling van algemene strekking. Deze lichte en zware gronden zijn ook in de maatregel van bewaring van eiser opgenomen en de minister heeft gemotiveerd waarom er van deze gronden in het specifieke geval van eiser sprake is. Het had voor eiser voldoende duidelijk moeten zijn op grond waarvan hij in bewaring werd gesteld. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor een ander oordeel.
11. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. [7]
Conclusie
12. Het beroep tegen de ophouding is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen de ophouding niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van S. Hitijahubessy - Brussaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
1.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3351.
3.Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.