De eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn van zes maanden had beslist op zijn asielaanvraag van 28 juni 2023. De minister had deze termijn met negen maanden verlengd, maar deze verlenging was inmiddels verstreken zonder dat een besluit was genomen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De rechtbank legt de minister op binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen, conform het '8+8 wekenmodel' dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft vastgesteld. Bij overschrijding van deze termijn moet de minister een dwangsom betalen van € 100 per dag, met een maximum van € 7.500.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.