Eiseres, een Syrische vrouw met de Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing. Eiseres stelde dat zij en haar kinderen in Turkije worden gediscrimineerd vanwege hun Syrische afkomst, dat haar Turkse nationaliteit mogelijk wordt ingetrokken, dat zij zal worden uitgezet naar Syrië en dat haar zoon gedwongen zal worden dienst te nemen in Turkije.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de discriminatie in Turkije aannemelijk is, deze niet zo ernstig is dat eiseres niet op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De minister heeft terecht geconcludeerd dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse nationaliteit van eiseres zal worden ingetrokken of dat zij naar Syrië zal worden uitgezet. De vrees voor toekomstige dienstplicht van haar zoon is prematuur en kan geen grond voor asiel zijn.
Daarnaast werd beoordeeld of op humanitaire gronden een verblijfsvergunning moest worden verleend. De rechtbank vond dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder de gevolgen van de aardbeving en haar status als weduwe met drie kinderen, niet afwijken van het reguliere beleid en onvoldoende zijn om een verblijfsvergunning regulier humanitair toe te kennen.
Tot slot werd het opgelegde inreisverbod niet bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag en wees een vergoeding van proceskosten af.