ECLI:NL:RBDHA:2025:8099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.10096
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vw 2000Art. 3.6ba Vb 2000Art. 3.4 Vb 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging en geen humanitaire verblijfsgrond

Eiseres, een Syrische vrouw met de Turkse nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing. Eiseres stelde dat zij en haar kinderen in Turkije worden gediscrimineerd vanwege hun Syrische afkomst, dat haar Turkse nationaliteit mogelijk wordt ingetrokken, dat zij zal worden uitgezet naar Syrië en dat haar zoon gedwongen zal worden dienst te nemen in Turkije.

De rechtbank oordeelde dat hoewel de discriminatie in Turkije aannemelijk is, deze niet zo ernstig is dat eiseres niet op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. De minister heeft terecht geconcludeerd dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de Turkse nationaliteit van eiseres zal worden ingetrokken of dat zij naar Syrië zal worden uitgezet. De vrees voor toekomstige dienstplicht van haar zoon is prematuur en kan geen grond voor asiel zijn.

Daarnaast werd beoordeeld of op humanitaire gronden een verblijfsvergunning moest worden verleend. De rechtbank vond dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder de gevolgen van de aardbeving en haar status als weduwe met drie kinderen, niet afwijken van het reguliere beleid en onvoldoende zijn om een verblijfsvergunning regulier humanitair toe te kennen.

Tot slot werd het opgelegde inreisverbod niet bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, bevestigde de afwijzing van de asielaanvraag en wees een vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag en weigering van een verblijfsvergunning regulier humanitair.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10096

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres

mede namens haar minderjarige kinderen
[naam kind 1], [nummer 2]
[naam kind 2], [nummer 3]
[naam kind 3], [nummer 4]
(gemachtigde: B.J. Manspeaker)
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven omdat de minister in zijn besluit goed heeft gemotiveerd waarom de discriminatie die eiseres in Turkije heeft ervaren niet zodanig is dat het leidt tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook is in het besluit deugdelijk gemotiveerd dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres terecht vreest dat haar Turkse nationaliteit wordt afgepakt, zij wordt uitgezet naar Syrië en haar zoon zal worden geronseld voor de dienstplicht. De minister heeft ook kunnen concluderen dat geen aanleiding bestaat tot afgifte van een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de volgende vragen:
  • Is eiseres aan te merken als verdragsvluchteling omdat zij worden gediscrimineerd?
  • Is er een reëel risico dat eiseres haar Turkse nationaliteit zal worden afgepakt, zij wordt uitgezet naar Syrië en haar zoon zal worden geronseld voor de dienstplicht?
  • Moet aan eiseres op grond van haar persoonlijke omstandigheden een verblijfsvergunning regulier humanitair worden afgegeven?
Aan het eind, vanaf 9, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 30 augustus 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres is Syrische en heeft ook de Turkse nationaliteit. De minister heeft met het besluit van 3 maart 2025 (het bestreden besluit) haar aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en ook bepaald dat aan eiseres geen verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden wordt verleend. Aan eiseres is een terugkeerbesluit uitgevaardigd waarin zij wordt verplicht naar Turkije terug te keren en haar is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres is geboren in Syrië. Zij is weduwe en heeft drie kinderen. In 2016 is zij vanuit Syrië naar Turkije gevlucht vanwege de oorlog. In 2021 heeft zij de Turkse nationaliteit verkregen. Hoewel zij zich erg heeft ingespannen om in te burgeren, wordt zij als Syrische niet geaccepteerd in Turkije. De Syriërs krijgen de schuld van alle problemen in Turkije. Ook haar kinderen worden niet geaccepteerd. Hoe ouder zij worden, hoe zichtbaarder de discriminatie jegens hen wordt. Na de aardbeving in 2023 is eiseres niet geholpen. Zij heeft drie dagen met haar gezin op straat geleefd en heeft daarna een tijdelijke woning gevonden in Ankara. Omdat haar zoon op school werd gediscrimineerd en zij op zoek moest naar een nieuwe woning is eiseres met haar kinderen naar Nederland gevlucht. Zij is bang dat haar zoon zich bij terugkeer naar Syrië zal laten overtuigen om zich aan te sluiten bij gewapende groeperingen. Ook is zij bang dat haar Turkse nationaliteit haar zal worden afgenomen en zij zal worden uitgezet naar Syrië. Voor zover dit niet gebeurt wijst zij erop dat haar zoon in Turkije in dienst zal moeten.
Het bestreden besluit
4. Omdat eiseres zowel de Syrische als de Turkse nationaliteit heeft en de minister haar een terugkeerbesluit heeft opgelegd voor Turkije, is het deel van haar asielrelaas dat ziet op Syrië buiten beschouwing gelaten. Het asielrelaas van eiseres bevat daarom volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
discriminatie in Turkije vanwege haar Syrische afkomst.
De minister heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Eiseres wordt gevolgd in haar stellingen dat zij en haar kinderen worden gediscrimineerd op grond van hun Syrische afkomst. De minister gelooft dat zij daardoor anders worden behandeld, het lastig is om in Turkije een woning te vinden en het werk te kunnen doen waarvoor zij is opgeleid. De minister concludeert echter dat hetgeen eiseres heeft meegemaakt in Turkije haar niet zodanig beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat het voor haar onmogelijk is om in Turkije op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Verder stelt de minister dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar Turkse nationaliteit zal worden ingetrokken als zij terugkeert naar Turkije. De minister concludeert tot slot dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres niet maken dat aan haar een verblijfsvergunning op humanitaire gronden moet worden verstrekt.
Is eiseres aan te merken als verdragsvluchteling omdat zij worden gediscrimineerd?
5. In artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is bepaald dat een verblijfsvergunning asiel wordt verleend aan een verdragsvluchteling die gegronde vrees heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op vervolging of op ernstige schade.
5.1.
Discriminatie van de vreemdeling door de autoriteiten en door medeburgers kan worden gezien als daad van vervolging. Uit paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) blijkt dat dat het geval is als de vreemdeling vanwege de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. In de rechtspraak is invulling gegeven aan dit criterium uit de Vc 2000. Er wordt in elk geval aangenomen dat de vreemdeling heeft kunnen functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied als de vreemdeling in het land van herkomst heeft gewerkt en zich vrij heeft kunnen bewegen [1] , hij een opleiding heeft genoten, onderdak heeft gehad en/of niet is gebleken dat medische zorg is geweigerd. [2] Verder is relevant dat eventuele uitsluiting alleen dan kan leiden tot een daad van vervolging als die het directe gevolg is van de discriminatie. [3]
5.1.1.
Eiseres stelt dat de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden over haar ervaringen in Turkije onvoldoende zijn betrokken in de besluitvorming. De positie van het gezin op het gebied van huisvesting, onderwijs en arbeid is de laatste jaren steeds kwetsbaarder geworden. Dit blijkt ook uit het Algemeen ambtsbericht Turkije uit 2025 [4] (Ambtsbericht 2025). Discriminatie van Syriërs vindt nog steeds plaats. Er zijn ernstige incidenten geweest met terugkeerders. Sinds de aardbeving is de situatie verslechterd, Syriërs worden niet geholpen en krijgen de schuld van alles. Als eiseres wordt teruggestuurd naar Turkije dan zal zij in een schrijnende situatie terechtkomen.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister eiseres volgt in haar betoog dat Syrische vluchtelingen, genaturaliseerd of niet, worden gediscrimineerd. Uit de verklaringen van eiseres blijkt echter niet dat die discriminatie zo erg is dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging en is aan te merken als verdragsvluchteling. De minister heeft in dat kader terecht overwogen dat eiseres zich, ondanks dat zij werd gediscrimineerd, goed heeft kunnen handhaven in Turkije. Zij heeft kunnen werken, al heeft zij niet het werk kunnen doen waarvoor zij is opgeleid. Zij heeft (taal)cursussen kunnen volgen, een huis kunnen huren en de kinderen zijn naar school geweest. Dat eiseres heeft verklaard na de aardbeving meer discriminatie te hebben ervaren, maakt dit niet anders. Op zitting heeft zij verklaard dat zij ook toen een nieuwe woning kon huren en dat haar kinderen naar school gingen. Dit alles maakt dat zij, ook na de aardbeving, betrekkelijk normaal heeft kunnen functioneren op sociaal en maatschappelijk gebied. De minister heeft zich dan ook deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de discriminatie eiseres niet dusdanig heeft beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat het voor haar onmogelijk was om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. De ervaren discriminatie is dan ook niet dusdanig dat die leidt tot een gegronde vrees voor vervolging.
5.2.1.
De verwijzing naar het Ambtsbericht 2025 [5] maakt deze conclusie niet anders. Hieruit blijkt weliswaar dat Syriërs in Turkije te maken hebben met discriminatie, maar hieruit blijkt niet, zo stelt de minister terecht, dat Syrische vluchtelingen in Turkije per definitie niet kunnen functioneren op maatschappelijk en sociaal gebied. De minister concludeert ook terecht dat hetgeen staat omschreven in het ambtsbericht niet ziet op de individuele situatie van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Turkse nationaliteit en vrees voor uitzetting en het ronselen voor de dienstplicht
6. Eiseres vreest dat haar Turkse nationaliteit wordt ingetrokken en zij zal worden uitgezet naar Syrië. Er zijn onvoldoende betrouwbare gegevens over de gevolgen van haar terugkeer naar Turkije. De Turkse autoriteiten dringen aan op terugkeer van Syriërs en bieden ook mogelijkheden om de terugkeer te verkennen middels een ‘go and see’. Intrekking van de Turkse nationaliteit van eiseres is te allen tijde mogelijk gelet op de algemene bevoegdheid van de uitvoerende macht. Ter zitting heeft eiseres toegelicht dat zij ook vreest dat haar zoon als hij straks achttien is in Turkije in dienst zal moeten. Hij zal dan mogelijk moeten vechten tegen Syriërs, dus tegen zijn eigen volk. Eiseres vreest dus dat haar zoon in de toekomst in dienst iets moet doen dat in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar Turkse nationaliteit wordt ingetrokken bij terugkeer. De minister concludeert terecht dat eiseres niet valt onder een van daarvoor vereiste wettelijke gronden. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Er zijn ook op basis van de informatie die eiseres aanhaalt, het Ambtsbericht 2025 [6] , geen concrete aanwijzingen om aan te nemen dat haar Turkse nationaliteit wordt ingetrokken. Weliswaar wordt hierin één voorbeeld genoemd waarbij de Turkse nationaliteit van een kritische mensenrechtenactivist is ingetrokken [7] , maar hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat hetzelfde kan gebeuren bij eiseres. Eiseres heeft zelf aangegeven dat zij nooit problemen heeft gehad met de Turkse autoriteiten. Anders dan de gemachtigde van eiseres op zitting heeft betoogd kan uit het feit dat uit het ambtsbericht blijkt dat de vrijwillige terugkeer naar Syrië wordt gestimuleerd middels ‘go and see’- bezoeken niet worden afgeleid dat de Turkse overheid op korte termijn zal beslissen dat de Turkse nationaliteit van Syriërs zoals eiseres zal worden ingetrokken.
6.1.1.
De vrees voor de situatie in Syrië laat de minister terecht buiten beschouwing omdat eiseres de Turkse nationaliteit bezit en kan terugkeren naar Turkije. Het is ook niet aannemelijk dat eiseres gedwongen moet terugkeren naar Syrië. De minister heeft ter zitting terecht benadrukt dat de berichten over terugkeer van Syriërs vanuit Turkije gaan over Syrische vluchtelingen en niet over Syriërs die de Turkse nationaliteit hebben verkregen. [8] . Over die laatste groep wordt expliciet opgemerkt dat zij bij terugkeer niet noodzakelijkerwijs problemen hoeven te ondervinden met de Turkse autoriteiten [9] .
6.1.2.
De rechtbank is het met de minister eens dat de stelling over de Turkse dienstplicht prematuur is. De zoon van eiseres is pas zestien en de dienstplicht kan eventueel worden afgekocht [10] . Ook is er geen sprake van dienstweigering als bedoeld in paragraaf C2/3.2.7 van de Vc 2000. De zoon van eiseres is nog niet opgeroepen voor de dienstplicht, daar is hij te jong voor. Het gaat hier dan ook over een mogelijke toekomstige gebeurtenis die nu geen vrees op kan leveren in de zin van artikel 29 van Pro de Vw 2000 en dus ook niet kan leiden tot afgifte van verblijfsvergunning asiel op grond van dat artikel. De beroepsgrond slaagt niet.
Moet aan eiseres op grond van haar persoonlijke omstandigheden een verblijfsvergunning regulier humanitair worden afgegeven?
7. Eiseres betoogt dat haar persoonlijke omstandigheden het onbillijk maken om haar aanvraag af te wijzen. Zij heeft de gevolgen van de aardbeving ondervonden en is, als weduwe met de zorg over drie kinderen, kwetsbaar. Ook betoogt eiseres dat haar belangen onvoldoende zijn betrokken in het besluit. Ter zitting heeft zij verduidelijkt dat zij met deze grond een beroep wenst te doen op de afgifte van een verblijfsvergunning regulier op humanitaire gronden.
7.1.
De minister heeft ter zitting toegelicht dat hij de hier aangevoerde omstandigheden al heeft beoordeeld in het kader van de asielaanvraag en daarin geen aanleiding ziet om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 3.6ba, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) blijkt dat de minister tot het moment waarop de beslissing op een eerste in Nederland ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onherroepelijk is geworden, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan verlenen onder een andere beperking dan voorzien in artikel 3.4, eerste lid Vb 2000, als er sprake is van een schrijnende situatie die gelegen is in een samenstel van bijzondere omstandigheden die de vreemdeling betreffen. Het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de minister. De rechtbank toetst hier dus terughoudend. In het Informatiebericht 2019/81 [11] is uitgelegd hoe de minister omgaat met deze bevoegdheid en aan welke eisen de aangedragen omstandigheden moeten voldoen. Zo moeten die omstandigheden niet passen in het reguliere beleid. De rechtbank stelt vast dat eiseres ter onderbouwing van haar verzoek geen andere omstandigheden heeft aangevoerd dan zij al in het kader van haar asielaanvraag heeft gedaan. Zij heeft dus omstandigheden aangevoerd die wel passen binnen het reguliere beleid. De rechtbank oordeelt dan ook dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij in het door eiseres aangevoerde geen aanleiding ziet om een verblijfsvergunning regulier te verlenen. De beroepsgrond slaagt niet.
Inreisverbod
8. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiseres geen gronden heeft aangevoerd tegen het opgelegde inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de minister de asielaanvraag terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard Eiser krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van der Lee, rechter, in aanwezigheid van mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.ABRvS 17 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1092, r.o. 4.1.
2.Onder meer: Rb. Den Haag, zp. Middelburg 3 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:81, r.o. 14.
3.Onder meer ABRvS 14 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:454, r.o. 5.1.
4.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025.
5.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 102 - 109.
6.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 102 - 109.
7.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 104.
8.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 105 - 106.
9.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 109.
10.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 91.
11.IB 2019/81 Ambtshalve toets schrijnende situatie, par. 3.4.