ECLI:NL:RBDHA:2025:909
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt dat voortzetting grensdetentie onevenredig bezwarend is wegens onrechtmatige detentieomstandigheden
Eiser, een Pakistaanse vreemdeling, werd op 11 december 2024 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij verbleef voorafgaand aan deze maatregel gedurende een substantiële periode (11 tot 21 november 2024) in onrechtmatige detentieomstandigheden in detentiecentrum Schiphol. De rechtbank stelde vast dat deze omstandigheden niet voldeden aan de eisen van gespecialiseerde bewaringsaccommodaties zoals voorgeschreven in de Opvangrichtlijn en jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De rechtbank oordeelde dat de onrechtmatigheid van de eerdere detentieperiode zo ernstig was dat ook het opleggen en voortduren van de nieuwe vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend is. De detentieomstandigheden werden gekenmerkt door langdurige insluiting, beperkte bewegingsvrijheid en een regime dat kenmerken vertoonde van penitentiaire detentie, hetgeen niet is toegestaan voor vreemdelingen in grensdetentie.
De rechtbank beveelt daarom de onmiddellijke opheffing van de maatregel met ingang van 16 januari 2025 en kent een schadevergoeding toe van €3.700,- voor 37 dagen onrechtmatige detentie. Tevens veroordeelt zij de minister tot betaling van de proceskosten van €1.814,-. Het beroep is daarmee gegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig verklaard.
Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel en kent een schadevergoeding toe wegens onrechtmatige detentieomstandigheden.