ECLI:NL:RBDHA:2025:9322
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring EU-burger wegens ernstige bedreiging openbare orde bevestigd
De rechtbank Den Haag heeft op 22 mei 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin eiser, een Belgische EU-burger, beroep instelde tegen de ontzegging en beëindiging van zijn EU-verblijfsrecht en zijn ongewenstverklaring in Nederland. Het bestreden besluit van 26 maart 2024 handhaafde de minister van Asiel en Migratie het besluit van 16 mei 2022 om eiser het verblijfsrecht te ontzeggen en hem ongewenst te verklaren vanwege een veroordeling voor drugssmokkel.
Eiser werd veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf wegens het binnenbrengen van cocaïne in Nederland en werd op 22 april 2024 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De rechtbank oordeelde dat het gedrag van eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde en dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd. De stelling van eiser dat hij onschuldig is en te goeder trouw handelde, werd niet onderbouwd.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen verblijfsrecht in Nederland heeft en onvoldoende bindingen met Nederland kan aantonen. Zijn beroep op artikel 8 EVRM Pro, ter bescherming van zijn familieleven, faalde omdat niet is gebleken dat hij daadwerkelijk familie in Nederland heeft. De rechtbank concludeerde dat de ongewenstverklaring proportioneel is en niet verder gaat dan noodzakelijk. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft gehandhaafd.