Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op zijn asielaanvraag van 22 april 2025. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij legt de minister op om binnen een nieuwe beslistermijn van zestien weken, te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van deze uitspraak, alsnog een besluit te nemen. Deze termijn is gebaseerd op het door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gehanteerde ‘8+8 wekenmodel’.
Daarnaast legt de rechtbank een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 467,-.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De rechtbank benadrukt dat eiser een verzetschrift kan indienen binnen zes weken indien hij het niet eens is met deze uitspraak.