Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10285

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL24.10739
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EGRichtlijn 2008/115/EGartikel 3 EVRMartikel 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen beëindiging tijdelijke bescherming derdelander Oekraïne en terugkeerbesluit

Eiseres, een Marokkaanse nationaliteit houdende derdelander die rechtmatig verbleef in Oekraïne, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. De minister van Asiel en Migratie besloot op 21 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024 en stelde een terugkeertermijn in. Na jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Afdeling bestuursrechtspraak werd het besluit op 15 juli 2025 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit.

Eiseres voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was en dat er geen duidelijk land van terugkeer was genoemd, en stelde dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en het non-refoulementbeginsel. De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit voldoet aan de Terugkeerrichtlijn en dat Marokko als land van terugkeer duidelijk is aangegeven. Er is geen bewijs dat eiseres een beschermenswaardig familie- of privéleven in Nederland heeft opgebouwd.

De rechtbank stelde vast dat eiseres geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Marokko aannemelijk heeft gemaakt en dat haar asielaanvraag buiten behandeling is gesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres vanwege het gebrekkige eerdere terugkeerbesluit.

Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit naar Marokko wordt ongegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10739

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. R.E. Thijssen).

Procesverloop

In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] , en dat zij binnen vier weken na die datum moet terugkeren naar zijn/haar land van herkomst.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
De rechtbank heeft het beroep aangehouden in afwachting van de beantwoording van de aan het Hof [2] gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394, en van de Afdeling [3] van 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742.
Het Hof heeft deze vragen beantwoord in het arrest van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038, in de zaak [naam 1] en [naam 2] . Vervolgens zijn op 23 april 2025 de einduitspraken van de Afdeling verschenen (ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836) en is op 10 juli 2025 de einduitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, verschenen (ECLI:NL:RBAMS:2025:4843).
Naar aanleiding van deze uitspraken heeft verweerder op 15 juli 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb [4] heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op dit besluit. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om schriftelijk op dit besluit en de hiervoor genoemde jurisprudentie te reageren.
Eiseres heeft aanvullende beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen [persoon] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 2001 en heeft de Marokkaanse nationaliteit.
2. Ten tijde van de inval in Oekraïne door Rusland op 24 februari 2022 verbleef eiseres rechtmatig in Oekraïne op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning. Na haar vlucht naar Nederland vanwege deze inval heeft zij tijdelijke bescherming gekregen op grond van de facultatieve bepaling van de RTB als een zogenoemde ‘derdelander Oekraïne’.
3. In het besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder bepaald dat eiseres na 4 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming en Nederland binnen vier weken na die datum moet verlaten. Vervolgens is er onduidelijkheid ontstaan over de vraag of de tijdelijke bescherming van de ‘derdelanders Oekraïne’ eerder beëindigd mag worden dan die van ontheemden met de Oekraïense nationaliteit. Daarom heeft verweerder de gevolgen van dit besluit bevroren. Deze bevriezingsmaatregel is per 4 september 2025 gestopt, maar blijft gelden voor personen zoals eiseres die nog een lopende procedure hebben. [5] In het aanvullende besluit van 15 juli 2025 heeft verweerder bepaald dat het eerdere besluit te vroeg is genomen en dat eiseres binnen vier weken na deze uitspraak Nederland moet verlaten.
4. Eiseres is het niet eens met de besluiten van 21 februari 2024 en 15 juli 2025. Zij voert aan dat verweerder haar tijdelijke bescherming niet mag beëindigen. Het aanvullende terugkeerbesluit is prematuur genomen. Eiseres viel op dat moment nog onder de tijdelijke bescherming tot 4 september 2025. De bevriezingsmaatregel doet daar niet aan af. Ook kan het terugkeerbesluit geen stand houden, omdat er geen land van terugkeer is genoemd. De enkele overweging ‘u dient terug te keren naar het land waarvan u de nationaliteit hebt zoals dit is vermeld bovenaan deze brief’ is daartoe onvoldoende. Aan het hebben van een bepaalde nationaliteit kan geen conclusie worden verbonden over het land van herkomst. Eiseres stelt, onder verwijzing naar de zienswijze, dat het vervangend terugkeerbesluit is genomen in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Zij wijst daarbij op haar persoonlijke omstandigheden en heeft haar meest recente arbeidsovereenkomst overgelegd. Verder is niet gebleken van een recente refoulementbeoordeling.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. In het arrest [naam 1] en [naam 2] en de daarop gevolgde einduitspraken is geoordeeld dat de tijdelijke bescherming van ‘derdelanders Oekraïne’ eerder dan die van Oekraïners mag worden beëindigd, zij het niet vóór 4 maart 2024. Met het aangevulde besluit is de tijdelijke bescherming van eiseres na die datum beëindigd. Niet gebleken is dat eiseres op dat moment of sindsdien in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, dan wel dat zij een aanvraag daartoe heeft lopen. Daarbij kan de bevriezingsmaatregel niet anders worden gekwalificeerd dan als een feitelijke opschorting, en dus niet als rechtmatig verblijf. Het aangevulde besluit vermeldt dat zij binnen vier weken moet terugkeren naar Marokko. Daarmee voldoet het aangevulde besluit aan de vereisten van de Terugkeerrichtlijn. [6]
6. De rechtbank overweegt verder dat uit de motivering van het bestreden besluit ondubbelzinnig blijkt naar welk land eiseres terug zou moeten keren, namelijk Marokko, het land waarvan eiseres de nationaliteit bezit. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat de nationaliteit niet per definitie iets zegt over het land van herkomst, geen aanleiding voor het oordeel dat het terugkeerbesluit geen stand kan houden.
7. Op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn moet bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit rekening worden gehouden met het familie- en gezinsleven. Uit wat door eiseres is aangevoerd kan echter niet worden opgemaakt dat zij in Nederland beschermenswaardig familie- of privéleven heeft opgebouwd zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan niet worden afgeleid waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is.
8. Voor zover eiseres stelt dat zij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM, is dit niet aannemelijk gemaakt. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de asielaanvraag van eiseres bij besluit van 1 mei 2023 buiten behandeling is gesteld en dat zij sindsdien niet opnieuw om internationale bescherming heeft gevraagd. Verder ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding om het aangevulde besluit onrechtmatig te achten vanwege strijd met het beginsel van non-refoulement, en verwijst hierbij naar het arrest van het HvJ EU van 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892, in de zaak [arrest] .
8. Dit leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Het aangevulde terugkeerbesluit blijft in stand.
9. Omdat het beroep is ingesteld naar aanleiding van een terugkeerbesluit dat gelet op het arrest [naam 1] en [naam 2] gebrekkig was, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1 (gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is op 29 april 2026 gedaan door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG, RTB.
2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.https://ind.nl/nl/nieuws/bevriezingsmaatregel-derdelanders-oekraine-stopt-op-4-september-2025.
6.Richtlijn 2008/115/EG.