ECLI:NL:RVS:2024:1742
Raad van State
- Prejudicieel verzoek
- Rechtspraak.nl
Prejudicieel verzoek over duur tijdelijke bescherming facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne
In deze zaken staat centraal de vraag op welk moment de tijdelijke bescherming eindigt voor de facultatieve groep ontheemden uit Oekraïne, zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, van Richtlijn 2001/55/EG. De vreemdelingen, afkomstig uit Algerije, Turkije en Pakistan, hadden een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne toen de Russische invasie begon en kregen in Nederland tijdelijke bescherming.
De staatssecretaris beëindigde de tijdelijke bescherming per 4 september 2023, maar trok dit besluit later in en gaf terugkeeropdrachten met een vertrektermijn na 4 maart 2024. De rechtbanken spraken uiteenlopende uitspraken uit over de beëindiging van de bescherming, waarbij sommige zittingsplaatsen het oordeel van de Afdeling volgden dat de bescherming eindigt op 4 maart 2024, terwijl andere zittingsplaatsen een verlenging tot 4 maart 2025 aannamen.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft daarom besloten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU te stellen over de uitleg van artikel 4 van Pro de Richtlijn Tijdelijke Bescherming, met name of de facultatieve groep ook bij een besluit tot verlenging recht houdt op bescherming en of het uitmaakt dat een lidstaat de bescherming eerder heeft beëindigd.
De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst totdat het Hof uitspraak heeft gedaan, om rechtseenheid te herstellen en onzekerheid voor de betrokken vreemdelingen te verminderen.
Uitkomst: De behandeling van de hoger beroepen wordt geschorst in afwachting van de prejudiciële uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.